Nooit meer afscheid nemen

f van den bosch De flaptekst van de vierde en laatste verhalenbundel van F. van den Bosch vermeldt dat de schrijver in Amsterdam woont. Deze op zich tamelijk onbeduidende informatie toonde wat wrang toen de bundel met de poëtische titel Aan de oever van ooit en nooit meer, verscheen. Want de schrijver was inmiddels van ons heengegaan.

Waar hij inmiddels uithangt, dat mogen de goden weten, maar je zou wensen dat hij in de tijdeloosheid nu en dan een uitstapje kan maken naar de geliefde plekken die hij in zijn literaire werk heeft vastgelegd. Uiteraard met de mensen die hem vroeg of laat ontvielen en van wie hij de rest van zijn leven op papier bezig is geweest afscheid te nemen. Wat is Indië, wat is Indonesië immers zonder de mensen die er leefden?

Het doet het er weinig toe hoe het land heet dat F. van den Bosch als jochie van vier met zijn warmte ontving en, na diens repatriëring, nooit werkelijk heeft laten gaan. Zijn schrijftafel stond in Amsterdam, zijn hart lag in Indië, zijn voeten wandelden rond in Lapland en in zijn portefeuille zat altijd wel een retourticket Amsterdam – Malmö. Daar, in Malmö, woonde tante Sonja, met haar Zweedse petjoh vol ‘suedismen’. Haar man was ooit compagnon van mijn grootvader Willem Birnie. Het schalkse tweetal had ergens een baggermolen op Borneo liggen, maar liet de wereld geloven dat zij een goudmijn hadden ontdekt.

De schrijver heeft ze niet los kunnen of willen laten, zij die optreden in zijn verhalen. Op een zacht kabbelend en ingenieus krontjongritme componeerde hij een literair kwartet waar weinig Nederlandstalige schrijvers aan kunnen tippen. De verhalen van F. van den Bosch zijn stuk voor stuk herleesbaar, ad infinitum. Ze vullen elkaar aan, de stijl is superieur, de toon berustend, de vertellingen fragmentarisch en mysterieus. Uitgeverij Querido, kieskeurig maar degelijk in het uitgeven van verzamelde werken van Indische schrijvers, kan op die boekenplank straks F. van Bosch neerzetten naast de namen van Vincent Mahieu, Maria Dermoût en Beb Vuyk.

Aan de oever van ooit en nooit meer lijkt een afscheid van F. van den Bosch aan ons lezers. Hier en daar licht hij een tipje op achter de sluiers die zijn verhaalfiguren uit eerder werk omhullen. In de vorige bundel was de schrijver zichzelf al minder gaan vermommen. Hij heette voortaan gewoon Frits. Ook zijn levensgezellin komt nu even voorbij: Thérèse, met wie hij halsoverkop een reis door Indonesië moet onderbreken om afscheid van haar stervende moeder te nemen in Nederland. Te laat. Natuurlijk. F. van den Bosch was altijd te laat om afscheid te kunnen nemen, zo was zijn leven en daarom schreef hij.

Niemand speelt een hoofddrol in zijn werk. Ook hijzelf niet. Waar gaat zijn werk dan over? Eenvoudig, en wijs, over de liefde voor de mens, onverschillig zijn of haar afkomst, rol of plaats in het leven. Dat daarmee Indië tot een literair decor wordt beperkt, zal nauwelijks teleurstelling wekken bij hen die Aan de oever van ooit en nooit meer zullen lezen. We zien het land immers tot leven komen zo breed als de schrijver het nog niet eerder heeft getoond. Wat dat betreft is het titelverhaal wellicht zijn briljantste, nóg knapper dan zijn op wereldniveau staande verhaal Het regenhuis, omdat het zo’n enorme tijdspanne suggereert en de fantasie het wint van de feiten. Het is zijn laatste gedrukte verhaal en ja, het vereist kennis van de Indische geschiedenis om het helemaal te begrijpen. Wie van de bekendste recensenten heeft die bagage? Ik zie er geen rondlopen binnen de Amsterdamse Grachtengordel, anders zou de Indische literatuur allang niet meer dat ondergeschoven kindje zijn zoals het tot de dag van vandaag is.

Neem Menteng, 1928, de beroemde wijk in Batavia, nu Jakarta. Vader van den Bosch goochelt wat met kalium en laat er de Ciliwung mee kolken. Intussen vertelt hij zijn zoontje over hoe een Engelse generaal in de periode van het Engelse tussenbewind (1811-1816) na zijn het bevel ‘lopen!’ zijn Javaanse fuseliers op de vlucht ziet slaan in plaats van ze het onverdedigde Kwitang binnen te zien wandelen.

In een ander verhaal duikt een figuur op die we kennen uit een eerder verhalenbundel. Het is Tikoes, bijnaam voor Ted. De verteller herinnert zich de jongen tijdens een voettocht door Lapland en begint nu, vele jaren later, opeens te grienen. Maar wie was Tikoes?

Met terugwerkende kracht komt hij nu uiteindelijk tot leven. Surabaya, 1930. Tikoes’ ooms zijn ‘autochtoon’ en werken in de cultures. Tikoes en de verteller stropen als jongetjes de alang-alangvelden af, ze slaan slangen dood en Tikoes vertelt verhalen over de panters, die hij heeft van zijn ooms ‘in hun behoefte een orale traditie voort te zetten’. De jongetjes vangen visjes uit een vieze sloot, Tikoes fruit ze in een oud blik en ze eten ze als ikan teri. Het is een van die schelmenverhalen die de schrijver met jongensachtig plezier tussen de overige zet. Dan kan hij even vergeten dat hij ze is kwijtgeraakt, de vriendjes en vriendinnetjes uit zijn jeugd. Want Tikoes heeft de oorlog niet overleefd en is ‘in een klein vuil interneringskamp op de kust van Borneo gekrepeerd, alleen, weggekropen achter een gescheurde klambu in een hoek van de tochtige barak’.

In een volgend schelmenverhaal horen we een Duits jongetje op de boot met verlofgangers naar Europa zeggen: ‘Wir kehren heim ins Reich.’ Wanneer ze in Genua van boord gaan, zegt Frits: “Heil, Mutti!’ Waarop ze begint te huilen. Oeps, een misser. Ja, Dieter had hem een hand gegeven en gezegd: ‘Heil Fritz!’ Wist híj veel op die leeftijd…

Wanneer Frits en zijn broertje een lift hebben gekregen van een stel dronken Japanse soldaten, die na de capitulering van Japan de gevangenen moeten gaan verdedigen die zij eerder hadden geïnterneerd – een van de meest bizarre hoofdstukken uit de Indische geschiedenis – krijgen we vader Van den Bosch te zien in zijn barak. De man is sterk vermagerd maar nog fit genoeg om met een maat over het boeddhisme te delibereren. En vader vertelt ook hoe een Japanse soldaat zich met zijn bajonet uitleefde door hem steeds met kracht te prikken tussen de benen van hem en zijn makkers in de houten bank waarop zij zaten. De mannen bleven, van schrik, rustig onder het vertoon van de soldaat. Diep onder de indruk salueerde deze vervolgens voor de mannen en hief uit eerbetoon een Nederlands liedje aan: ‘Arinne roen-roen korre-korre-ran’, ofwel: ‘Al in een groen groen knollen-knollenland…’ Waarmee de schrijver ook van de Japanse soldaat, die immers vóór zijn mobilisatie verplicht Nederlands had moeten leren, een mens maakt, en niet een of ander cliché zoals veel Indo’s van de Tweede Generatie die uitentreuren voorgeschoteld hebben gekregen in hun jeugd.

Aan de oever van ooit en nooit meer biedt ons meer leesvoer dan tevoren in de onderlinge bundels. De oorlog bezien vanuit het perspectief van een Indonesiër die later in Leiden zou gaan studeren en ongewild zijn kameraden verraadde omdat hij niet kon kiezen vóór of tegen de Republiek. Over wayangtoneel anno heden, waarin de antieke orde dreigt te worden aangetast door de nieuwe waarden uit het hedendaagse ‘vrije’ Indonesia.

Ouderlijke figuren nemen geen intiemere plaats in bij de verteller dan zijn Indische en Indonesische vrienden en vriendinnen. Vader figureerde niet in eerder werk en moeder lijkt overwegend ongenaakbaar. In een eerdere bundel zwemt zij in haar jonge jaren de marinehaven van Den Helder door, klimt tegen haar vaders duikboten op en laat zo adelborsten en matrozen tot achter de oren blozen. Nu geeft de schrijver een aanvullend beeld van haar, namelijk als schaker van wie het moeilijk winnen is.

De verteller is met grote vakantie op Soember Brantas. Tegen donker worden Petromax-lampen aangestoken. In de nanacht wordt de Arjuna-top beklommen: ‘Dan opende zich de duisternis onverwachts naar boven en keek de sterrenhemel verblindend helder op je neer […] en dan wist je op eenmaal waar je was: hier, in je huid, hier op aarde, hier in de hemel, die een mens zich niet nader en niet onmetelijker wensen kon’.

Geen gelukkig moment zonder keerzijde. De verteller heeft een boekje waaruit blijkt dat het schaakspel van zijn moeder hopeloos verouderd is. Op een losgescheurde bladzijde staat een schaakprobleem dat hem bezighoudt. De wind steekt op en neemt het blaadje mee. De jongen rent erachteraan en ziet dat het blaadje het ravijn in dwarrelt en diep beneden mee wordt genomen door de rivier de Brantas.

Jaren later tikt hij het schaakboekje op de kop bij een antikwaar in Nederland. Toch vindt hij die ene stelling niet, die hem toen zo had beziggehouden. Het gaat om ‘een loper op c4, een paard op e5 en een tartende zwarte dame die ik niet mag nemen, stond ze op g6? Heb ik het dan gedroomd? Heb ik het verzonnen? Ach, wat doet het er toe. Van dit aards bestaan blijft immers niets over, en niets ervan neem je mee in je graf.’

Maar jij, Frits van den Bosch, hebt wél een gevoelig zingend oeuvre nagelaten voor ons, stervelingen op aarde.

* * *
F. van den Bosch
Aan de oever van ooit en nooit meer
Verhalen
Amsterdam: uitgeverij Querido, 2001
Prijs: fl. 35,-

Deze bespreking verscheen eerder in De Sobat, nieuwsbrief voor donateurs van de Stichting Tong Tong, op 29 september 2001.