Nederland leest nog steeds niet

birney haasse kousbroekAfgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.

Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.

Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.

Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.

Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.

Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.

In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

* * *
Ik kreeg veel e-mails van mensen die op een of andere manier niet de hand weten te leggen op het herfstnummer van Archipel Magazine. Opvallend veel mails waren afkomstig uit het buitenland. Daarom heb ik besloten het artikel online te zetten, op gevaar af van zure blikken van Archipel Magazines hoofdredacteur. Enfin, doe er uw voordeel mee. For the sake of the Indo, zal ik maar zeggen.

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boons weblog Fotografie & Schrijverij (met de volledige tekst van Tjalies nogmaals oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900).


© 2009 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfst 2009