Natuurlijke recycling als begrafenisritueel

aasgier Elk mens stelt zich weleens zijn begrafenis voor. Dat neem ik aan, ik heb er nooit iemand naar gevraagd. De een droomt zich een crematie met serene muziek, de ander een klassieke begrafenis met een fanfare, een derde ziet zijn as in een ruimtesonde rond de aarde cirkelen. Ikzelf ben wat beducht voor de oven van een crematorium, stel je voor dat je toch nog even wakker wordt, dan lig je toch maar mooi in de hel te branden. En tijd is relatief, zoals u weet. In een kist onder de grond lijkt me ook al niks, daarvoor heb ik te veel Edgar Allan Poe gelezen in mijn jonge jaren. Ik stelde me eens voor dat mij een onheuglijke tijding was bereikt van een ongeneeslijke ziekte. Ik had nog maar drie maanden te leven. Zoiets. Wat zou ik doen? Ik zou een enkele reis naar Indonesië nemen en daar de rimboe opzoeken om er te sterven, liefst zo dicht mogelijk bij de krokodillen. Dan hadden zij aan mij een lekker hapje, niemand zou mij ooit terugzien en eh… ja, mijn dood zou een eeuwig raadsel blijven. Een dood zónder begrafenis dus.

Nou heb ik net mijn recensie van Het spoor naar Tibet van Abrahm Lustgarten (uit het Engels vertaald door Gerrit Jan Zwier) naar het AD gemaild, die het in een van de komende weken in de zaterdagbijlage zal opnemen. Er zit een voor mij treffende anekdote in het boek. Die begint zo (blz 209):

“Die herfst overleed Kaldens vader op 57-jarige leeftijd. Monniken uit een klooster voerden de begrafenisrituelen uit, waarna het lichaam van de oude man op een heuveltop aan de overkant van de rivier in stukjes werd gehakt, waar de gieren konden neerstrijken en het vlees meenemen…”

Alweer een bevestiging van mijn idee dat ik in het verkeerde land ben geboren.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog