Kutmarokkanen

alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003