Koloniaal brievenproza

Ik kreeg een paar dagen terug een paar nieuwe boeken toegestuurd. Eén is een uitgave van de Indische Bibliotheek, een imprint van Walburg Pers en KITLV Uitgeverij. Het boek heet: Met ons alles goed. Brieven en films uit Nederlands-Indië van de fanilie Kuyck. Er is een DVD bijgeleverd. Het boek heeft een korte en degelijke inleiding, waarin terug wordt gekeken op de tijd waarin de brief per luchtpost bij wijze van spreken als even ordinair werd ervaren als het huidig sms’je. De afgedrukte brieven omspannen de periode 1924 – 1930 van zogenaamde Nederlandse “trekkers”: mensen die voor enkele jaren naar de kolonie gingen met de bedoeling weer naar patria terug te keren. (Eigenlijk hoort die term bij de 19e eeuw, als je het mij vraagt.) Ik heb de dvd nog niet bekeken en ben ook nog niet verder dan de eerste brief gekomen. Ik schrok namelijk even van de volgende passage:

Ons Woutertje was zoo beduusd. Ik kende mijn drukke jongen niet meer. Ik ben blij dat ik altijd met hem in de kinderkamer kan zijn als hij eet, want de meeste kinderen komen met de baboe, die dan heel slaafsch achter de bank blijft staan en daar precies doet wat de kleine njo’s of nonni’s willen.

Ik had altijd heel naief gedacht dat de kinderen indertijd maar te luisteren hadden naar die zogenoemde “scheepsbaboes”…

De brieven in het boekje en de DVD vullen elkaar mooi aan. De tekst komt van Rien Kuyck, de filmbeelden komen van haar man, die waar hij maar kan het Nederlands-Indië in de late jaren twintig van de vorige eeuw vastlegt. Opwindend beeldmateriaal is het niet als je al tientallen fotoboeken over die tijd onder ogen hebt gehad. Het enige dat me bijblijft is een shot van een dagje naar het strand. Je ziet Europese mannen een duik nemen en hun vrouwen onder parasols in stoelen kwekken over dezelfde dingen waar men nu over kwekt, morgen over kwekt en over honderd jaar nog over zal kwekken. De vertelster – de stem op de DVD geeft een beknopte bloemlezing uit het brievenboek – beseft wel dat ze van een afstandje afkeurend worden gadegeslagen door de “inlanders”, die men nu Indonesiërs noemt.

Wie zitten er aan het strand? Een dikke Chinese familie. Luidruchtige en uiterst modieuze joden. Verder de zogenoemde Europeanen. De beurskrach van New York is dan al een feit, maar de vertelster zegt dat er in “Indië” nog niet veel over wordt gesproken.

Wat ik jammer vind is dat de zeereis niet wordt beschreven. Nou kon je natuurlijk moeilijk brieven vanaf de boot versturen. Maar ze had die kunnen bewaren. Wellicht was het bijhouden van een dagboek voorbehouden aan de creatievere geesten. Zo iemand was Rien Kuyck niet. Ze was gewoon een aardige Haagse vrouw zonder uitgesproken kenmerken die haar tot zoiets als een uitgesproken persoonlijkheid zouden hebben gemaakt. Zo vindt ze het wonderlijk hoe snel kinderen bedienden gaan commanderen, zonder dat ze zich afvraagt van wie die kinderen dat nou zouden hebben afgekeken. Racistisch kun je haar niet noemen, ze is een kind van haar tijd en spreekt met respect over haar bedienden. Koloniaal is ze uiteraard wel te noemen. Aan de enorme weelde is ze al snel gewend en hoewel ze in het begin van haar vijfjarige verblijf op West-Java nog gewoon Hollandse kost tot zich neemt, tot en met havermoutpap toe, zie je op de filmbeelden dat haar zoontje gewoon rijst krijgt toegediend door de baboe. Aardig is dat zij schrijft dat er mensen zijn die er alles aan doen om vooral niet te verindischen. Daar doet zij niet aan mee. Rien Kuyck vindt dat een mens zich zo goed mogelijk moet aanpassen aan omgeving en gebruiken, al zijn er natuurlijk grenzen en verlangt ze naar Holland terug, waar het leven uiteindelijk beter is volgens haar.

De observaties van Rien Kuyck zijn soms erg herkenbaar. Ze vergelijkt bepaalde delen van Java met de Achterhoek. Dat deed ik ook op mijn reizen over Java. Hoewel Rien Kuyck zo te oordelen een luizenleven leidt terwijl haar man werkt, klaagt ze soms toch nog over haar kinderen, die ze lastig vindt. Zonder die kinderen zou ze heerlijk wekenlang door dat prachtige landschap kunnen zwerven, etc.

Aan het einde van haar epistels heeft Rien Kuyck het over opstandelingen, “communisten” die de buurt onveilig maken. Ze worden opgepakt, maar Rien zelf vindt dat ze beter doodgeschoten kunnen worden. Tijdgeest, right? Het valt haar verder op dat de bedienden zich allengs vrijer en brutaler gaan gedragen. Sommigen durven haar zelfs ongevraagd aan te spreken tijdens een feest, bijvoorbeeld om haar te wijzen op een stoffig portierraampje van de auto. Wat dat betreft is het brievenboek wel interessant. Achter de naïviteit van een doorsnee Hollandse vrouw in de “Oost” zie je toch, uiteraard met de kennis die je nu bezit, de verhoudingen tussen de dominate en onderdrukte groep behoorlijk veranderen. Indo’s worden slechts een paar keer zijdelings genoemd. Nee, ze heten geen “Indiërs”, zoals onze Geert Mak maar eigenwijs blijft volhouden.

Tja, wat moet je met zo’n boekje + DVD? Ik zou zeggen: het is aardige kost voor de Indië-freak, mensen die maar geen genoeg kunnen krijgen van gedachteloos terug te reizen naar de koloniale tijd van Nederland. Ik vraag me weleens af of zulke mensen ooit op het idee komen de heleboel eenvoudig om te draaien. We gaan honderd jaar terug in de tijd. Nederland wordt onder de duim gehouden door een kleine minderheid Chinezen, die de economie in handen hebben, aan het hoofd van het leger en de politie staan en spoorlijnen laten aanleggen. Ze houden er Hollandse bedienden op na, gaan flaneren op het strand terwijl de “inlanders’, die men nu Hollanders noemt, zich uitsloven met het uitbaggeren van sloten, het aanleggen van wegen voor de auto’s waarin de Chinezen zich voortbewegen, en zich in fabrieken in het stof werken met producten die zeer veel geld opleveren. De woekerwinsten gaan naar China. Wie zich dit niet kan voorstellen, vindt misschien wel dat kolonialisme alleen is voorbehouden aan een kleine blanke elite. Wie zich dit wél kan voorstellen, is misschien wel een leugenaar. Of een toekomstvoorspeller? Dat kan ook.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog