Juwelenlach

alfred birney Het is als met elke grote juwelenroof: het publiek is onder de indruk. Men bestudeert de krantenfoto’s en denkt: joh, dat hadden wij ook kunnen doen! Zit ik hier elke dag op mijn kantoortje mijn pensioen af te wachten terwijl ik net zo goed bij die roof had kunnen zijn! Moet je kijken! Je hoeft alleen maar een grasveldje over, een raam in te slaan, op een vitrine te beuken en je kunt zo je zakken vullen! Het enige dat je nodig hebt is lef! Een uurtje lef op een heel leven! In een oogwenk een ander leven op de Malediven! Weg uit dit chagrijnige griepweer! Ik ben een loser… Hoe je het wendt of keert: juwelen gaan niet zonder romantiek. Hun rovers krijgen smoelen in de fantasie van de mensen. Het worden helden waaromheen Hollywood een hele speelfilm kan maken; het publiek zal de kassa’s laten rinkelen. Het stelen van een fiets is erger dan het kapen van waardevolle colliers. Een fiets is van een armoedzaaier. Een historisch collier van een verwende rijkaard. Die gaat daar niet dood van. Een pure juwelenroof kent geen directe slachtoffers. In het Museon is geen druppel bloed gevloeid. De juwelenroof kent geen daders. De camera’s van het Museon zullen ongetwijfeld de daders hebben geregistreerd, maar we nemen aan dat ze bivakmutsen dragen. Zo niet, dan zijn ze stom en mogen ze alsnog gepakt worden. Wij wensen geen stommelingen voor diamanten. Een juwelendief is slim en heeft geen kogels nodig. Hij is een bode van de liefde, dat is zijn charme. In zijn handen beginnen diamanten pas te lachen. Bedrieglijk, dat wel.

Haagsche Courant, woensdag 4 december 2002