Judo en zo

De judoka’s in de leeftijd van zes tot tien zitten netjes geknield in de rij en wachten vol spanning de commando’s van de sensei af. De leraar laat ze speels warm worden, zoals tijgeren over de mat, vooruit en achteruit. Daarna vertonen ze hun kunsten groepsgewijs en tot slot per duo. Opvallend is dat de jonge judoka’s elkaar niet uitlachen als iets niet lukt. Ze leren dat er altijd anderen zijn die beter of minder zijn dan jij. Dat je als witte-bander niet per sé hoeft te verliezen van een gele-bander. Dat een oranje band niet gerandeert dat je het van iemand met een witte band wint. Kunnen grote mensen wat van leren. Een doctor in de wiskunde kan dommer zijn dan een vuilnisman, een minister onverstandiger dan een hoer, een nobelprijswinnaar in de literatuur oninteressanter dan een columnist bij de HC – ja hallo, níet dan? Mijn zoontje, dat begrijpt u wel, is natuurlijk de beste judoka ter wereld. De avond voor zijn examen bij Steve van Nieuwenhuizen (neef van de onvolprezen Maurice, die model stond voor de eerste Nederlandse stripheld Dick Bos) nemen we nog even de worpen door. Hij pleurt me met gevarieerde been- en heupworpen op het matras en legt me in diverse houdgrepen. Ik test zijn kennis van het Japans. Alleen de eerste armworp weet-ie niet. Laat het nou uitgerekend deze tai-otoshi zijn die hij tijdens het examen niet kan tonen. Herinnert hij zich nu opeens wél de naam en daarom niet de worp? De herinnering: je ziet iemands gezicht maar de naam wil je niet te binnen schieten. Of: wie was Alfred Mazure ook weer?

Haagsche Courant, vrijdag 12 juli 2002