Indische anekdotes

alfred birney Ze zeggen dat Indo’s altijd te laat zijn. Mwah. Ik was maar anderhalf jaar te laat voor de verlenging van mijn rijbewijs. Gaat wel. Ik sta aan het loket om mijn eurootjes te storten voor een herbewijs van mijn rijvaardigheid, staat er een andere Indo naast me aan het loket om zijn paspoort op te halen. Beetje een net type, niet zo casual als ik. Hij bekijkt het product dat hem zo-even is overhandigd en zegt: ‘Ho, wacht even, ik bén helemaal geen 1 meter 70!’ De loketbeambte vraagt: ‘Hoelang bent u dan?’ ‘Ik ben 1 meter 72!’ ‘Nou,’ zegt de loketbeambte, ‘dat scheelt toch weinig? Het ligt er maar aan, waar u vandaag of morgen op loopt, op gympen, laarzen…’ Ik neem mijn ‘broertje’ eens van opzij op en zie hem al denken: ‘die vent denkt zeker dat ik aan linedancing doe.’ Hij loopt roodbruin aan maar besluit het document toch te accepteren. Zal-ie wel moeten, wie zeikt er nou over twee centimeter? Nou ja, het hangt er maar vanaf wat je meet, hè?

Later, bij de toko op de Markthof, waar je veel Chinezen en Indo’s ziet, zwaait een ander ‘broertje’ naar me. Ik herken hem niet maar begin een praatje. Hij blijkt te zijn afgekeurd voor zijn werk vanwege rheuma. Kassian zeg, dese! Soms zoekt-ie de warmte op in de tropen, dat helpt dan even. Zo zat hij verleden jaar bij een kapper ergens in Jakarta en las er een vertaald verhaal in Femina, een soort Indonesische Cosmopolitan. Enfin, hij heeft het verhaal uit, leest de naam van de schrijver eronder en denkt: verrek, die fen ken ik! Nou, dat was ik dus. Maar wie was hij nou?

Haagsche Courant, maandag 4 november 2002