Indië verloren, rampspoed geboren

de republikeinNaar aanleiding van de onlangs herdachte soevereiniteitsoverdracht, die plaats vond 60 jaar geleden op 27 december 1949, wijdt kwartaaltijdschrift De Republikein een themanummer aan Neerlands interessantste geschiedenis, namelijk die van een der grootse koloniale wereldmachten. Dat die geschiedenis wordt weggemoffeld, is voornamelijk bekend aan mensen die zich ermee bezighouden. Dat spreekt. En zodra die geschiedenis door zogenaamde vaklui wordt verteld, breekt in heel Indisch Nederland – ja, dat bestaat nog – rumoer uit. Mensen van de eerste generatie Indische Nederlanders beginnen met te zeggen dat mensen van de tweede generatie Indische Nederlanders / Indo’s het leven in “Indië” nooit hebben meegemaakt en daarom geen recht hebben van spreken, laat staan van schrijven. De tweede generatie Indo’s verwijt de eerste generatie een overdreven Hollands culturele opvoeding en kijkt intussen met argusogen naar de derde generatie, die vrolijk bahasa Indonesia leert en zich uitleeft op Asian Party’s. Soms klinkt het verwijt van de derde generatie, dat de tweede generatie helemaal niets heeft gedaan aan het overbrengen van de Indische cultuur, terwijl er toch een sloot boeken van de tweede generatie in de bibliotheken te vinden is. Interessant is dat de tweede generatie zich veelal uit in fictie, terwijl de derde generatie vrijwel alleen met non-fictie komt.

Maar hier gaat het allemaal niet om in De Republikein, nummer 4, december 2009, jaargang 5. Deze aflevering, waarvoor ik als gastcolumnist ben gevraagd, brengt met een serie frisse artikelen de geschiedenis van Nederland en Indonesië in kaart voor, zeg, de lezer die wel eens wat meer wil weten dan wat geleuter over tempo doeloe, sarong en kabaya en het scheepsjournaal van Bontekoe in tijden van de VOC.

Rik Smits, hoofdredacteur van het kritisch tijdschrift, stelt terecht in zijn voorwoord dat Nederland helemaal geen “klein landje” is, zoals wij onszelf dat graag voorhouden. In economisch, cultureel en wetenschappelijk perspectief is Nederland een reus. Helaas is Nederland ook kleingeestig en de geschiedenis houdt dan ook bij voorkeur op bij de duinen. Rik Smits haalt Tjalie Robinson aan om de scherpe toon van zijn blad te onderstrepen, terwijl ik het themanummer afsluit met Tjalies veronachtzame kritiek op Hella Haasses overgewaardeerde novelle Oeroeg, onder de titel Postkoloniaal naschrift.

Binnen deze tangconstructie beschrijft Gerard Aalders de lepe, of gluiperige, rol die de Amerikanen speelden tijdens de dekolonisatie. Mooi is te zien hoe cruciaal WO-II is geweest voor het dekolonisatieproces. Onder Henk Schulte Nordholts pen krijgt het democratie een werkelijk Indonesisch karakter en good old Ewald Vanvugt legt, onvermoeibaar als hij is met een oeuvre van intussen meer dan 30 boeken, nog maar eens haarfijn uit hoe het koningshuis schatrijk werd aan de opiumhandel. Voor wie deze klok al eens heeft horen luiden maar nog niet weet waar de klepel hangt, moet deze bijdrage beslist lezen.

Er staat nog meer verbazingwekkends in deze aflevering van De Republikein. Dat inwoners van het Javaanse dorpje Rawagedeh nog niet zo lang geleden de Nederlandse staat aansprakelijk stelde voor de moord op vierhonderd ongewapende inwoners, is iedereen nog wel bekend, mag ik hopen. Gerrit-Jan Pulles beschrijft dit internationale misdrijf van a tot z en hij toont aan dat het beroepen op “verjaring” van de Nederlandse overheid inconsequent en juridisch zeer twijfelachtig is. Want ja, zodra Nederland de portemonnee moet trekken, is men niet thuis. Maar zelfs zoiets eenvoudigs als het aanbieden van excuses aan de nabestaanden was zelfs al te veel voor onze overheid.

Er staat nog veel meer in dit nummer. Marije Plomp over een Molukse ambtenaar die op een wel heel merkwaardige manier door de overheid wordt behandeld. Eveline Buchheim zoomt in op de “werkelijke rol van Europese vrouwen” in de kolonie, Leo Polak vat de geschiedenis van de Molukkers samen, etc.

Surf naar De Republikein en bestel dit nummer. Een abonnement is ook de moeite waard. De stukken zijn serieus maar niet droog geschreven, en houden het midden tussen journalistiek en wetenschap… zonder vervelende voetnoten.