Indianenverhaal

alfred birney Tram gemist. In mijn kielzog twee sigarettenhijsende meisjes, die een taal spreken die ik niet versta, Servo-Kroatisch of Sloveens. Misschien praten ze over hun nieuwe laarzen, waar ze aldoor hun blik op werpen. Een blonde man met een customized daklozenoutfit sluit aan. Markante kop. Hij rookt twee keer zo snel als die meisjes en spuugt met korte intervallen hoestend de asfaltweg langs de abri onder. We beginnen een weerpraatje. Hij zegt dat hij drie jaar op straat heeft geleefd en toen nooit ziek was. Zijn moeder dook onlangs op en nu heeft hij een studiootje. Hij houdt wél de cv uit, om gehard te blijven. Hij kijkt me opeens onderzoekend aan en vraagt of ik gitaar speel. Ik knik. Hij roept: ‘Ha! Ik wist het! Ik zag het meteen aan je kop gewoon, ja ja!’

Zelf zingt hij. Nee, zong. Hij had ooit een band met Ambonese jongens. Ziet hij mij, een Indische jongen, soms aan voor een Ambonees en verzint hij zomaar wat?

Ik zeg dat Ambonezen vaak zelf goed zingen. Hij grijnst en laat een Engelstalig intro uit zijn geraspte strot komen, iets tussen Van Morrison en Joe Cocker in. Klinkt goed, op straat.

‘Ik ben geen echte Hollander,’ zegt hij. ‘Ik ben een halve Braziliaan. Daar ben ik laatst achtergekomen. Mijn moeder wil het niet toegeven, maar toen zij met mijn vader langs de Amazone trok, is ze op een nacht met een Indiaan de boom ingeklommen, begrijp je wel? Ik ben eigenlijk allochtoon. Echte Batavieren heb je bijna niet. Maar dat willen ze niet weten.’

Haagsche Courant, vrijdag 15 februari 2002