Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004