Een vogel op Java

Ooit zag mijn moeder, een Brabantse schoenmakersdochter, een raaf door haar slaapkamer vliegen. Ze richtte zich op, staarde naar het portret van mijn Chinese grootmoeder boven het voeteneinde van haar bed, en zag dat het eensklaps de magie had verloren die haar al te lang in de ban van mijn Indische vader had gehouden. Met de aangevoelde zekerheid dat die aan haar ziekbed gekluisterde Chinese tovenares daar in het verre Indonesië het leven had gelaten, stapte mijn moeder de volgende dag naar haar advocaat en zei: ‘Ja, ik weet het nu zeker: ik wil van hem scheiden.’

Twaalf jaar later, in de tijd dat Molukse jongeren op niet mis te verstane wijze van zich deden spreken door een trein te kapen en zo, ongewild of niet, een hele tweede generatie Indo’s een blauwe spiegel voorhielden, dook ik de geschiedenisboeken in en zeurde mijn vader de oren van het hoofd om hem tot het schrijven van zijn eigen geschiedenis aan te zetten. Met veel hoofdstukken over grootmoeder het liefst. Ik was me namelijk, onder invloed van de hippiecultuur en het bijbehorende geflirt met occulte zaken, intensief met mijn Chinese grootmoeder gaan bezighouden. Ik vereerde haar als een halfgod en droomde van een bezoek aan haar graf.

Regelmatig consulteerde ik een helderziende halve zigeunerin, die horoscopen trok, zich voor medium uitgaf en onderwijl achter mijn broertje aan zat. De halve zigeunerin briefde wel eens boodschappen van gene zijde aan mij over en mijn geloof in haar beweringen was onvoorwaardelijk. Maar dat nam af naarmate mijn Chinese grootmoeder met de jaren in mijn gedachten van halfgod naar oermoeder evolueerde.

Mijn vader zou zijn geschiedenis op papier zetten, dat had hij beloofd. Hem kennende zou er wel veel bloed over de bladzijden vloeien. Dus besloot ik om onafhankelijk van hem verhalen in Indonesië te gaan zoeken, waar ik nog wat tantes had wonen plus een zwik neven en nichten van de eerste tot en met de zoveelste graad.

‘Schrijf tante Ella maar,’ zei mijn vader. ‘Ina laat toch nooit wat van zich horen.’

Ik schreef een brief, die zich als volgt laat samenvatten: ‘Hallo tante Ella, ik ben uw neef A. uit Holland en ik speel met de gedachte eens een bezoek aan Surabaya te komen brengen.’

Ze schreef terug: ‘Je bent altijd welkom, lieve neef. Ik zal je alles over je vader vertellen. Neem je chocolaatjes mee? Die van hier zijn niet zo lekker als bij jullie. Zij kunnen niet ja, die Javanen. Ik zie met verlangen uit naar jouw komst.’

Ho! Liep mijn tante daar niet een beetje hard van stapel? Ik had enkel geschreven dat ik met de gedachte ‘speelde’. Dat zou ik dan ook twaalf jaar lang blijven doen.

Mijn vader schreef zijn boek en ik brandde er bijna mijn handen aan. Zo veel als hij vroeger wist te vertellen over zijn mysterieuze moeder, zo weinig bleek hij later over haar te willen schrijven. Het papier was voor hemzelf, niet voor haar en misschien ook wel niet voor mij bestemd. Toen ik me na lezing ervan liet ontvallen nu eens echt werk van mijn reis naar Indonesië te gaan maken, raadde hij me sterk af naar Surabaya en omgeving te gaan.

Hij, als Indo met een Chinese moeder en een Indische vader, had tijdens de Indonesische revolutie immers aan de kant van de belanda’s gevochten. Maar zijn zusters hadden met de Jap geheuld en zijn broers weer met de Indonesiërs. Wat dacht je waarom je vader in zijn eentje naar Nederland was gekomen? Ongetwijfeld liepen er in Indonesië nog wraakzuchtige lieden rond, voormalige Indonesische vrijheidsstrijders die nog een appeltje met hem te schillen hadden. Er zaten felle Madurezen bij, en hun wraak strekte zich uit tot in het zevende geslacht.

Niet alleen zijn bangmakerij weerhield mij van de oversteek. Vooral het feit dat mijn tante nog altijd in het ouderlijk woonde, wellicht gezellig samen met de geest van mijn Chinese grootmoeder, wier magische uitstraling voor mij nog altijd niet geheel van haar portret was verdwenen. Ik was, onder invloed van mijn Brabantse moeder tijdens mijn kinderjaren, nog altijd een beetje bang voor die doordringende blik en het was een huiveringwekkende gedachte straks oog in oog te komen staan met zo’n strenge vrouw, die vast een hoop van de kwalijke gedachten die ik omtrent mijn vader koesterde, zou afkeuren.

Maar angsten slijten. Je wordt een grote jongen en je tante een oude vrouw. God sterft in je en de geest van je grootmoeder ook. Wat blijft is de nieuwsgierigheid naar de verhalen van de figuranten die optreden in het boek dat mijn vader over zijn oorlogsjaren schreef. Wat was er van waar, wat niet?

‘Tante Ella,’ schreef ik, ‘ik wil nu eens echt een bezoek aan Surabaya komen brengen.’

‘Lieve neef, je schrijft steeds dat je komt, maar jouw oude tante ziet jou maar niet verschijnen. Kom nu maar gauw, je weet niet hoe lang een mens leeft.’

Dat is zo. Ik ging. En mijn onderzoek kreeg een onverwachte wending.

Mijn vaders ‘gisteren’ was veertig geleden. Daar had ik nog niet zo aan gedacht. Mijn vader trouwens ook niet. Er stonden helemaal geen voormalige vrijheidsstrijders op de hoek van de een of andere ‘gang’ mij op te wachten. Zij hadden in Surabaya een straat gekregen, de Jalan Pemuda , en hoe ik ook zocht, er was nergens een Jalan Indo te vinden.

Mijn tante was inderdaad een oude vrouw geworden. Alleen die droevige blik in haar ogen deed me nog enigszins aan de vergeelde foto’s uit mijn vaders fotoalbum denken. Maar ze was helder van geest. Ja, ze wist te vertellen dat mijn vader inderdaad op patrouille ging indertijd, dat hij aan het front had gezeten, maar wat hij nou precies had uitgespookt, nee dat wist zij ook niet. En wat wist ze dan te vertellen over zijn jeugd? Nou ja, hij hield erg van macaroni met kaas ja, en hij kon niet zo goed tegen sambal ja, waarom hij altijd werd geplaagd natuurlijk ja, en hij was als mooie jongen heel verlegen naar de meisjes.

Ze leek een warhoofd, mijn tante, maar ik wantrouwde haar: ik ken die Indische gewoonte wel om niet over elkaar te praten, wat men roddelen noemt, die ingewortelde schaamte, dat fatsoen, of wat is het.

Vragen kwamen op, antwoorden bleven uit, en van lieverlede ging ik maar de antropoloog in de buurt spelen, ook interessant, maar dan was ik toch liever naar Brazilië gegaan. Was het daar niks, dan hadden ze er tenminste de muziek nog. Hier zat ik in een kraakheldere nieuwbouwwoning bij een Indisch-Chinese familie, drie generaties bijeen, die kerstplaten uit Taiwan op een discoritme draaide, naar Kung Fu-films uit Hong Kong keek en me de godganse dag vroeg naar de prijzen van kleding en elektrische apparaten in Nederland. En die me bij het televisiejournaal vroeg of de Hollanders die met olie besmeurde, op het strand aangespoelde vogels zouden gaan roosteren dan wel braden.

Ik leerde dat mijn familieleden in Surabaya nog altijd niet veel met de Javanen op hadden, dat ze zich liever bij de Chinese gemeenschap aansloten en dat, toen de belanda’s er nog waren, de chocolaatjes beter smaakten, de zeep lekkerder rook en het belastingstelsel tenminste deugde. Maar geen woord over hun complexe verleden, de verdeeldheid in de familie ten opzichte van de Japanse bezetter en de Indonesische vrijheidsstrijd, waartegen mijn vader zich als enige van de familie had gekant om van de koningin een oranje kusje te kunnen krijgen.

Gefrustreerd tussen die luchtwortels uit het verleden rondstappend, herinnerde ik me het eigenlijke doel van mijn komst weer, zoals dat twaalf jaar eerder was geboren: het graf van mijn grootmoeder bezoeken. Mijn negentienjarige neefje Jongky, kleinzoon van mijn nicht Josta en een verdwenen Japanse soldaat, trad op als mijn begeleider.

Het graf lag in Ungaran, dichtbij Semarang.

We maakten een omweg via Yogya om aldaar door ene Daatje – een muzikale “zus” – te worden ontvangen. Deze kleindochter uit mijn grootmoeders eerste huwelijk was een aan nasi gudek verslingerde lachebek die zei ooit voor mij, toen ik nog een kleine jongen was, piano te hebben gespeeld tijdens haar conservatorimstudietijd in Nederland.

Haar huurhuis lag binnen de muren van de keraton , waar een tempo doeloe-sfeer hing. In de logeerkamer hing een portret van Daatjes moeder, de enige dochter uit het eerste huwelijk van onze grootmoeder. Het leek sprekend op het portret dat zo lang boven het voeteneinde van mijn ouders’ bed had gehangen. Alleen hing er niet zo’n duistere wolk omheen.

Voor het slapengaan rookte ik een sigaret op de voorgalerij, sloeg de muggen van mijn armen, op het terrein lag brandend afval dat een lange rookpluim naar de maan zond.

Middenin de nacht schrok ik wakker en zag mijn neefje recht overeind in bed zitten. Hij keek me verwonderd aan. En ik hem. Ik dacht dat ik hem wakker had gemaakt, misschien door het slaken van een kreet of zo. Ik verontschuldigde me op voorhand door te zeggen: ‘Sorry. Niets aan de hand, ik heb maar gedroomd.’

Onzinnig. Ik kon me helemaal geen droom herinneren. We spraken er niet over bij het ontbijt en in de bus naar Ungaran. Dat zouden we pas later doen.

Op het verwaarloosde landgoed van een goklustige tante lag een familiebegraafplaats die door bridge en roulette bedreigd werd. Terwijl mijn neefje zich met de oude tuinjongen onderhield over mijn onbeleefd doorslapende want stevig drinkende tante, de Hollandse weduwe van een gestorven oom, zocht ik het graf van mijn grootmoeder op.

Ik nam plaats op een bakstenen richel langs het pad, zo precies mogelijk op de hartlijn van het graf. Dat daar een geraamte onder de grond lag, daar dacht ik niet aan. Eigenlijk dacht ik helemaal niets, totdat ik boven me hoorde roepen, omhoog keek en een raaf boven het terrein zag cirkelen. De raaf cirkelde driemaal boven het graf van mijn grootmoeder en wiekte kraaiend weg. Toen herinnerde ik me de droom van mijn moeder, als een vergeten sprookje.

De busrit terug, bergafwaarts, ging zo hard dat ik dwanggedachten kreeg te verwerken, zoals deze: ik heb het graf van mijn Chinese grootmoeder bezocht als bekroning op mijn leven en nu gaat een dolgeworden Chinese buschauffeur in een wedloop met een andere bus mij en mijn karmagenoten de afgrond in rijden. Vandaar die raaf zoëven.

Nee, ik kwam heelhuids via Yogya weer in Surabaya terug.

Daar lag ik, vermoeid van de reis, op bed uit te rusten, toen mijn nicht Josta de slaapkamer binnenkwam.

Ze zei: ‘Jongky had een droom in Yogya toen jullie bij Daatje waren. Maar hij heeft jou niet durven zeggen. Hij denkt jij bent bang ja.’

‘Toch geen nare voorspelling of zoiets?’

‘Nee, niet. Jullie liggen te slapen en hij ziet opeens de deur opengaan en een oude vrouw binnenkomen. Jij sliep. Zij droeg een witte kabaya, je weet: grootmoeder droeg altijd een witte kabaya.’

Na deze mededeling veerde ik overeind en onderwierp mijn neefje aan een grondig verhoor.

Of hij grootmoeder soms had gekend.

Nee.

Of hij soms ook die zwarte vogel had gezien de volgende dag.

Ja.

Of hij vaker zulke verschijningen had gekregen.

Nee, nooit. En trouwens: het was geen echte droom, eerder een soort halfslaap, hij had zijn ogen open gehad. Hij was overeind gekomen toen zij haar hand naar hem uitstrekte, en een fractie later was ik overeind gekomen. Om vervolgens tegen hem te zeggen: ‘Sorry, niks aan de hand, ík heb maar gedroomd.’

Dit soort dingen verzin je niet zo maar, bedacht ik, hij moet de waarheid spreken.

‘Waarom heeft grootmoeder zich niet aan mij laten zien?’ vroeg ik een beetje jaloers, terwijl ik het antwoord zelf wel kon bedenken.

‘Zij heeft jou willen groeten,’ zei mijn nicht. ‘Maar omdat zij weet jij bent bang zij doet zó ja.’

Jongky, een nuchtere jongen met een hang naar Japan, het land van zijn onbekende grootvader, wist zelf niet wat hij ervan denken moest. Was er ook niet bijzonder van ondersteboven. Het was zo gebeurd. Nou, sudah. Al.

Zelf begon ik de dagen erop met de gedachte te spelen dat ik hem misschien onbewust datgene heb laten dromen waar ik zo lang bang voor was geweest: de geest van mijn grootmoeder te zien krijgen. Maar dan, als telepathie bestaat, dan moet er nog veel meer bestaan.

Nee, hierover verder nadenken, daar had ik geen zin in. Het was er trouwens veel te warm voor. Maar ik vond het mooi, zo mooi, dat ik niet meer wist wat ik na deze bedevaart nog verder te zoeken had in het Indonesië van 1987/1988.

Het voorval sliep in mijn herinnering toen ik het vliegtuig terug nam naar Nederland. Ik verlangde alleen nog naar frisse lucht en patat met mayonaise. Links van mij zat een landbouwstudent uit Wageningen, rechts een Drent die de familie van zijn vrouw in Ambon had bezocht. Over en weer wisselden zij ervaringen uit, terwijl ik zo’n beetje zat te dommelen.

Ik hoorde de landbouwstudent zijn verontrusting uitspreken over het feit dat hij in Malang, waar hij een half jaar had gezeten, zoveel jongetjes met pistolen en geweren door de kampongs had zien lopen. Niet dat hij een nieuwe Indonesische revolutie vreesde, nee. ‘Maar die kinderen,’ zei hij, ‘die schieten werkelijk op alles wat ze maar zien bewegen, zolang het tenminste geen mensen zijn.’

‘Want weet je,’ vervolgde hij, ‘dat er op heel Java geen vo-gel-meer-te-vin-den-is? Allemaal uit de lucht geschoten!’

‘Ja, logisch,’ zei de Drent, ‘die mensen moeten toch eten.’

Ik zette de leuning van mijn stoel recht en mengde me in het gesprek. ‘Wacht even, wat zei jij daar? Op heel Java geen vogel meer te vinden?’

‘Nee,’ zei de landbouwstudent. ‘Heb jij dan soms een vogel gezien?’

Ik dacht even na.

‘Eh… nee, nu je zegt… Ik heb ook geen vogel gezien.’

Dat zijn zo van die antwoorden op vragen die je jezelf helemaal niet stellen moet.

De Volkskrant, zaterdag 10 sep 1988.

Tekening: Waldemar Post

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog