Doei

alfred birneyDe jongens op de steiger aan het einde van de straat hebben me al vaker voorbij zien fietsen en roepen of ze me even iets mogen vragen. Wah, de zon schijnt, waarom niet. Gebogen over mijn stuur hoor ik ze aan. Wat of ‘doei’ eigenlijk betekent, vragen ze me in het Duits.
‘Doei betekent doeg,’ zeg ik droog.
‘Ah, aber was heisst doeg denn?’
‘Doeg betekent: de mats,’ grijns ik.
‘De mats? Und was heisst de mats denn?’
‘Eh, de mats heisst: zie je.’
‘Und… was heisst zie je?’
‘See ya, bye, ciao, tschüs, dag, da-hag!’
A ha! Nu snappen ze eindelijk wat die donkere krantenbezorger van zo-even altijd naar ze roept, wanneer hij de krant in de brievenbus onder hun steiger heeft gedeponeerd.
‘Wij hier in Den Haag zeggen eigenlijk geen doei,’ zeg ik. ‘De Hagenaar zegt gewoon dag. Doei woei over uit Amsterdam,’ beweer ik met een natte vinger in de lucht.
Okay, dag! roepen de Ossies, nadat ze zich met hun geuzennaam hebben voorgesteld. Maar nog één vraag voor ik verder ga. Waarom zingen Hollandse bouwvakkers niet op de steigers? Die hebben altijd zo’n gettoblaster aan staan.
Ik zeg dat die hun vak niet meer verstaan. En hoor de Ossies zingen terwijl ik van ze wegfiets.

Haagsche Courant, vrijdag 7 juni 2002