Over F. van den Bosch (3)

De man in de blauwe kamerjas

De ik-figuur in het titelverhaal wordt door een man in een blauwe kamerjas met Frits aangesproken, de voornaam van de schrijver. F. van den Bosch voelt in zijn derde verhalenbundel (Amsterdam: Querido, 1987) blijkbaar geen behoefte (meer) zichzelf literair te vermommen, hij is de schaamte van de autobiografische schrijver voorbij. Hij doolt wat rond in een ziekenhuis, waar hij voor langere tijd is opgenomen. Zijn gedachten zijn bijna voortdurend bij zijn medepatiënten, bij huishoudelijk personeel en vooral bij verpleegsters. Soms vervalt hij in dagdromen. Wanneer hij zich afvraagt wat hij zou doen als hij miljonair was…

…dan zou ik een miljoen ton vruchtbare grond uit een vulkanisch land laten komen en als een heuvel op laten werpen. Inzaaien met gras en onkruid van allerlei soort, het gemeenste dat er te vinden is. En duizend bomen, eiken, beuken, berken, elzen langs de waterkant. Midden in dat toekomstig oerwoud zou ik een huis laten bouwen van russisch hout (alles moet je importeren in dit modderige land). Drie verdiepingen, zonder één spijker, door mij ontworpen tot in de kleinste zwaluwstaart. Met een stofvrije kluis (die je ingaat door een sluis) om mijn collectie vroeg-achttiende-eeuwse japanse prenten in onder te brengen. (p. 16)

Het is duidelijk dat met het vulkanisch land Java wordt genoemd. Het droomhuis in dat toekomstige oerwoud is een directe verwijzing naar zijn debuutverhaal Het regenhuis. En dan die Japanse prenten… Die hingen bij Oom James thuis naast een gebarsten spiegel achter de deur. Dit soort verwijzingen weeft een fraai borduursel in het kleine oeuvre van de schrijver.

Behalve de dagdromen zijn er de onvermijdelijke herinneringen. Aan het einde van de oorlog, ofwel het einde van Nederlands-Indië. Aan het vinden van een VOC-cent in de zandbanken van de Kali Mas in Surabaya, een erfstukje van het begin van Nederlands-Indië. Aan het meisje dat hem deed beseffen dat hij geen buaya – in deze betekenis: geen Surabayaan – meer was… Dat ik, tussen Gubeng en Wonokromo, de oevers van de Kali Mas van achtererf tot achtererf kende, van draaikolk tot draaikolk en van boom tot boom, het telde niet. Dat wij samen in een bouwvallig koetshuis adembenemende spelletjes hadden gedaan, het telde niet meer. Een Surabayaan was een hbs’er die danste en ‘Es Rojo’ at. Met dit mooie meisje, dat haar jasmijnwitte jurk niet vuil wilde maken – ook in de flamboyanten wilde ze niet klimmen, zelfs op de schommel wilde ze niet – was Surabaya, waar mijn hart lag, voor mij verloren gegaan.(p. 29)

 

Een narcose kan een polyfonie aan herinneringen losmaken. De tekst van De man in de blauwe kamerjas heeft iets narcotisch literairs: je kunt hem herlezen en analyseren, maar de schrijver laat je door het hanteren van zijn vertrouwd belevend perspectief toch steeds weer alle hoeken van het ziekenhuis zien. Waaruit goddank steeds weer die verpleegsters opduiken.

Kenmerkend voor F. van den Bosch is, dat hij geen artsen laat opdraven. Hij houdt meer van de gewone mens uit de kantine, de Marokkaanse en Turkse schoonmaaksters. Maar van allen die zijn ziekenhuisbestaan bevolken, meest immigranten, is er een die boven de anderen uitsteekt: zuster Renske: Ze is indisch, dacht ik, de eerste keer dat ik haar zag. Als Renske indisch was, dan waren de verholen gratie en de finesse, waarmee ze óm en mét mij doende was, verklaard. Dan had ze een automatisch plus, een dubbel plus, omdat ze mijn nostalgie – mijn boedjang-sentiment van vroeger – gaande maakte. Maar met die formulering was ik niet gelukkig. Indisch? Wat was indisch? Was je indisch als je een europese vader en een indonesische moeder had, of omgekeerd? Nee immers, want Theo – die, net als Renske, van een latere generatie was – was niet indisch. Hij was Indonesiër, of Hollander, naar verkiezing, nu eens dit, dan weer dat. Had hij niet veeleer een dubbele dan een verminkte identiteit?

Zuster Renske miste iets, miste – maar een gemis kon het nauwelijks zijn – een indisch manco: het manco van de russische émigrée, van de mens die aan elders en aan vroeger hangt, die leeft in een verzet dat geen verzet wil zijn, maar dat de maatschappij heeft afgedwongen.
Maar als de identiteit van de Indo nu eens níet ter discussie werd gesteld, als hij niet in het defensief werd gedrongen? (…)

Net als bij mijn vriendjes van toen voelde ik bij Renske, mutadis mutandis, geen spoor van verzet, van voorbehoud, van verborgen hoekigheid, van gegriefdheid en hooghartigheid. Zij was een moderne jonge vrouw, die leefde in een wereld waar ze geen moeite mee had. Wie bracht haar identiteit dan in discussie? Niet de maatschappij. Ik. Lho! Ik? Wat had ik er voor belang bij om dat te doen? Aa-ah! Weer zo’n vraag waar ik geen antwoord op wist! (p. 45-46)

Indisch zijn. Wie heeft daar wel een antwoord op? Het schijnt een eeuwige discussie en F. van den Bosch, wijs, wenst er geen rechtstreeks antwoord op te geven.

De nachtzuster heeft voor de verteller haar uiterlijk mee: ze ziet er Indisch uit en beweegt zich Indisch, maar ze mist dat manco van de Indische immigrant, ofwel repatriant… aan haar kleeft kennelijk geen verlies. Dat verlies is hooguit bij (een van) haar ouders achtergebleven. De verteller durft Renske niet direct naar haar precieze achtergrond te vragen. Een bepaald soort bescheidenheid dat wel meer mensen siert van de ‘eerste generatie’, zij die in Nederlands-Indië geboren en/of getogen zijn. Ze bekijken je, taxeren je, proberen je uit door het gebruik van een Maleis woord en als ze zien dat je die taal niet beheerst, laten ze je voorlopig voor wat je lijkt te zijn maar misschien niet volgens hun maatstaven bent: een Indische jongen of een Indisch meisje. Maar er komt een ogenblik dat de intimiteit groot genoeg is om je ernaar te vragen. Zoals in dit lange (het langste) verhaal van F. van den Bosch.

Het meisje komt met een verbazingwekkend antwoord: ‘Ik ben Indonesische. Dat wil zeggen. mijn vader was een Fries, maar mijn moeder kwam van Noord-Celebes. (…) Maar wij komen eigenlijk van Menado. Tumaluntung ken ik niet.’ (p. 47)

Verbazingwekkend omdat zij zich niet Indisch noemt, wat meer voor de hand zou liggen als je van gemengde komaf bent. Haar antwoord suggereert dat ze in het onafhankelijke Indonesië is geboren. Of dat ze, modern, eenvoudigweg de moederlijke lijn volgt.
De verteller had haar gevraagd of ze Tumaluntung soms kende. Eigenlijk weet hij zelf niet eens of die plaats wel bestaat; hij kent het alleen maar uit een van die kreupele liedteksten uit het krontjong-repertoire:

Ik kwam van Kéma. In de bergen.
Bood Tumaluntung nachtverblijf.
Daar deelden wij een mondvol snoepgoed.
Zo deelden wij ons nachtverblijf

(p. 48)

Opvallend genoeg geeft F. van den Bosch niet de Maleise tekst weer. Eerder uit beleefdheid tegenover dit meisje dan tegenover de lezer? Overigens heeft deze, derde en laatste (?), verhalenbundel als enige geen woordenlijst achterin. De bundel heeft het minder nodig dan de eerste twee bundels, maar het kan zijn dat de schrijver heeft gedacht dat de lezer zijn taal maar voor lief moet nemen.

Gewoontegetrouw sluit F. van den Bosch zijn verhalenbundel af met een Zweeds verhaal, maar niet voordat hij in Marinekind het portret van de moeder van de ik-figuur geeft. Een heel leven in 15 pagina’s, een literair dermate geconcentreerde schets, dat je die twee- of driemaal moet lezen eer de beelden samenvallen. Wat blijft hangen is hoe de moeder in de marinehaven van Den Helder zwom en tegen haar vaders duikboten opklom, …die bevallige zeemeermin, die adelborsten en matrozen tot achter hun oren liet blozen. (p. 79) En haar laatste levensjaren in een wagentje, wanneer de vergeetachtigheid haar te grazen neemt. Ten slotte kende ze ook haar kinderen niet meer uit elkaar. Het was of ze zich, tegen wil en dank, van ons allen afwendde, of ze aan de wereld waarin ze leefde – ze wist niet meer of het in Indië of in Holland was – geen boodschap meer had. Ze ging dicht, zoals een chinese roos – een kembang sepatu – die zich sluit en zich wringt om wat ze was, voordat ze afvalt. (…) ‘En niemand bukt zich om haar op te rapen,’ zo heet het van zo’n bloem in een lang vergeten lied. ‘Fula mugri ja ispelá, nunteng jenti per panyá.’ (p. 89-90)

Het afsluitende Zweedse verhaal is in briefvorm gegoten, een typisch verschijnsel in de Indische letteren. De verteller logeert bij een verzweedse Indische vrouw, genaamd Sonja. Toen haar grootvader in 1916 op sterven lag, reisde ze op haar zevende jaar met haar ouders, een broertje en een baboe naar Europa. Het was oorlog. Omdat de Duitsers de Noordzee onveilig hadden gemaakt met hun zeemijnen, voeren ze om de Kaap en om Engeland en Schotland heen. Zo duurde de reis te lang voor de grootvader, die stierf voor ze aankwamen. Zoon Allan, de vader van Sonja, stond te huilen in zijn moeders armen, hij wist niet meer hoe hij Zweeds spreken moest. Hij was al zo lang weggeweest. Maar Mirah, de baboe, riep: ‘Non! Non!’ (…) en trok Sonja aan haar mouw en wees naar buiten. ‘Lihat, non! Ujan kapok!’ Het sneeuwde. Dat hadden ze nog nooit gezien.(p. 98)

Allans vrouw, Lien, vond het maar niks, dat Sonja met haar baboe praatte. Ze was er fel tegen gekant dat haar dochter met bedienden omging: Sonja was een scandinavisch meisje, en dat moest zo blijven. Want Lien wist maar al te goed wat het betekende als je een indische was. Hoe de mensen – die botte Hollanders – je met de nek aankeken omdat je donker was, omdat je grootvader, die friese pummel, een kind had verwekt bij een nietsvermoedende madurese vrouw. (p. 98)

Dat Sonja niet mocht spreken met mensen van wie ze zelf afstamde, heeft ze nooit, tot de dag van vandaag, begrepen. Het was haar moeder zo slecht niet vergaan nadat ze in 1922 door haar Scandinavische ridder mee naar Zweden werd genomen:

In het blonde Zweden was ze geen dubieuze nona, maar een exotische schoonheid, dat is andere koek! (p. 99)

Het kan verkeren. Maar hoe verging het dochter Sonja nu in Malmö, jaren later, wanneer Frits na zijn ziekenhuisopname naar het Noorden reist om deze tante op te zoeken?

Ze hobbelt nog dapper door het huis en kruit haar serveerwagentje van de eetkamer naar de keuken en van de keuken naar de eetkamer. Ik mag haar niet helpen. Ik help haar toch, als ze over de drempel moet. Maar wil je weten hoe het met haar gaat, ik geef je haar zelf even: ‘Nervös, nervös, jag ska till Stockholm, en ik weet niet wat ik zeggen moet. Och allt går sönder här i huset: de tv gaat kapot, de ijskast gaat kapot, ik ga kapot, álles gaat kapot. Kaputt, kaputt, waar lééf je voor? Ik ben nog niet zo oud (ze wordt 77 van de week), maar wél gámmel. Jag var på sjukhus, rumah sakit, ziekenhuis, een onderzoek, hoop maar dat het niets ernstigs is.(p. 100-101)

Deze Zweedse petjôh-variant doet me treurig glimlachen. Wat moet zo’n Indisch vrouwtje daar in Malmö? Ze had nog tegen Frits gezegd: ‘Jullie hebben tenminste nog een koloniaal verleden, jullie snappen er nog wat van. Maar hier, de mensen hier! Alles moet je ze uitleggen, ze weten van niets.’ (p. 104-105)

Waarop ik zou zeggen: ‘Maar hier ook, tante Sonja. Geheugen Belanda’s gammel! Tidak ada geschiedenisboeken in rumah sakit. Die mensen, zij lesen niet, zij kijken telepisie.’

Wat heeft F. van den Bosch verder nog te zeggen? In zijn brief schrijft hij: Om te beginnen dan, deel ik je mee dat dit vel papier een van mijn laatste A 4’s van 75 gram is en dit druklint mijn laatste katoenen lint. Als het op is, stop ik met schrijven. (…) De aversie van de wereld waarin wij leven, de onwil om te schrijven voor een groot publiek, dat is ook een thema in mijn leven. Het woord om in dit verband te gebruiken is ‘kesasar’. Als ik mij niet vergis ben ik degene die in de Indische wereld dit woord in omloop heeft gebracht. Je kunt spreken van een ‘Indo kesasar’, of ook van een ‘Belanda kesasar’, als iemand niet meer in zijn oorspronkelijke milieu verkeert. Linguïstisch geanalyseerd: wortel ‘sar’, gereduceerd ‘sasar’, plus suffix ‘ke-‘ wat inhoudt dat je er de dupe van bent, dat het je overkomen is: ‘kesasar’ = op een zijspoor geraakt. Van dezelfde wortel ‘sar’ is met andere taalmiddelen het woord ‘belasar’ gemaakt, dat in het Indisch taalgebruik ‘belazer’ werd. We spraken van ‘champagne belazer’ – niet echt, nagemaakt.

Het gevoel van niet meer in je eigen wereld te leven (na de oorlog en de exodus naar Holland daarna) is veel oudere Indische mensen, ook Molukkers, vertrouwd. Ze zijn ‘kasasar’, en niet erg happy daarmee. Dat gevoel is bij mij ook op de achtergrond. Het kan in hoge mate worden gerelativeerd, maar kan ook, in geval van stress, mijn gedrag tegenover autochtone Hollanders beïnvloeden. Het maakt mij onzeker tegenover het lezerspubliek en tegenover mijn uitgever.

Soms ontmoet ik gelijkgestemden, Indisch altijd. En dan pakt een gevoel van vertrouwdheid (ingebeeld, vermoed ik) wel eens gek uit. Laatst op de Pasar Malam was ik mijn jasje kwijt. Op het toilet laten liggen? Terug naar het toilet. Geen jasje daar. De mensen daar verwezen mij naar het info-centrum. Dank u wel voor de tip. Ik been weg en begeef mij in de schuifelende menigte. Komt er iemand naar mij toe en vraagt: ‘Is dit jasje soms van u?’ ‘Hé,’ zeg ik, ‘waar hebt u dat gevonden?’ ‘In Surabaya,’ zegt hij. ‘Lho,’ zeg ik, ‘dat is ook toevallig, want daar kom ik vandaan.’ ‘Ah, komt u ook uit Surabaya? Waar hebt u gewoond?’ Ik zeg: ‘dicht bij Wonokromo, bij de Dierentuin.’ ‘O ja, bij die grote waringin, waar de tramlijn zich splitst.’ ‘En bij het Bungkul-park, waar de pangérans van Surabaya begraven liggen.’ ‘En bij de Kali Mas die achter de Darmo stroomt.’ ‘Daar heb ik nog eens een hondje uit het water gehaald,’ ‘Ik woonde op Dinoyo, even verder stroomaf…’ Zo praatten we even over Surabaya, wild vreemden voor elkaar, temidden van de menigte.

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Yournael

Over F. van den Bosch (2)

In een plooi van de tijd

In een plooi van de tijd (1983) is een literair pentafonium rond het thema tijd. De verhalenbundel opent met een Indisch, of liever Javaans spookverhaal met een mythische klank: Het rollende hoofd. Er straalt een betovering vanaf in kracht gelijk aan Het regenhuis, onder meer door de impliciete uitbeelding van de wezenlijke onlosmakelijkheid van mens en natuur. Het verhaal is tijdloos, net zo als de oerangst van de mens. Het is alsof F. van Bosch de lezer wil zeggen dat onverschillig welk verhaal hierop volgt uiteindelijk het bestaan zich voltrekt tussen leven en dood en dat de immer sluimerende oerangst van de mens de onweerstaanbare verkenning is naar wat over die grenzen reikt. Je zou het boek na zo’n voorbeeldige prelude bijna willen dichtslaan.

Maar nieuwsgierigheid kent geen grenzen. Het daaropvolgende titelverhaal geeft de verhouding weer tussen een jong totok-jongetje en een inlandse bediende in de jaren voor de oorlog. Het is een impressie van de jeugdjaren van vermoedelijk de schrijver zelf, met een gesuggereerd magisch plot. Tovenarij wordt hier gepresenteerd in kinderlijk perspectief tegen de achtergrond van een dramatische verwijdering tussen de beide jongetjes.

In Nostalgie volgen we de ik-figuur die met zijn vrouw het verloren land Indië, het huidige Indonesië bezoekt. De schrijver laat een direct verslag van de oorlogsjaren, de periode in het Jappenkamp, ditmaal achterwege en maakt een sprong naar jaren later: nostalgische tochten door straten, pakjes brengen bij een familielid. De gastvrouw heeft zich klassiek gekleed in sarong en kabaai: Van achter het kamerscherm schuifelt het meisje op haar hurken naderbij en presenteert met neergeslagen ogen, ter hoogte van de knieën van haar gebiedster, een blad waarop drie glazen limonade staan. Het is lang geleden dat ik deze feodale stijl van bedienen voor het laatst heb gezien. Ik had haar in de Republik Indonesia niet meer verwacht. Op straat merk je van de feodale schakeringen binnen het Javaanse milieu heel weinig, zeker niet in Jakarta. Hier, binnen de muren van het huis, een van de vele huizen in een van de duizenden straten van deze grote stad, houden laag en hoog, jong en bejaard, profaan en charismatisch, elkaar als vanouds in stand.

Maar als even later de telefoon rinkelt – dat dreinende kind van vooruitgang en vervlakking – neemt het meisje de hoorn van de haak en roept zonder veel plichtplegingen: ‘Mevrouw, telefoon voor u!’ (p. 41)

Met Oom James duikt een bijfiguur op uit de eerste verhalenbundel om in de schijnwerper te worden geplaatst. De verteller kent deze Indo nog uit het Japanse interneringskamp en van zijn jonge jaren daarvoor. Hij was een jochie, Oom James al wat ouder. De verteller, inmiddels student, ziet de man jaren later terug in Amsterdam en volgt hem over straat. De oude Indo heeft hem in de gaten en roept hem vanuit het portiek: ‘Olé sinjo! Kom hier!’ (…) ‘Mag ik maar Ippie blijven zeggen?’ (p. 51)

In flashbacks wordt verteld van Ippies jongensleven op straat in Surabaya. Op een van zijn slentertochten komt hij voorbij de dierentuin in het zuiden van de stad. Het is aan het begin van de jaren dertig en achter de huizen langs de Reinierszboulevard is nog niet gebouwd. Ippie stroopt, net als mijn vader in zijn jongensjaren toen, met zijn vriendjes de velden af tot aan de kampongtuinen. Ze dragen wapens: zijn vriendjes een stuk bamboe en een katapult, hijzelf een arit, een grasmes, verboden bezit voor een jochie van tien. Op een dag gaat hij in zijn eentje het pisangbos in en opeens staat hij op het achtererf van een mijnheer met zwart haar (…) in pyjama op de gang voor de bijgebouwen. (p. 54) De man woont er met twee honden en noemt ze gatel en zó gelem (p. 55), wat zo ongeveer ‘geil als yoghurt’ betekent.

De eenzelvige Indo vertelt Ippie verhalen over gevechten tussen Javanen en Chinezen en laat met zijn geheimzinnige solitaire manier van leven diepe indruk op hem achter. Wanneer de jongen maanden later met zijn vriendjes speelt bij de rivier, vissen ze een bewegende zak uit het water. Er zitten vier kleine natte blinde hondjes in. De jongens nemen er elk een mee. Dat van Ippie blijft leven, de andere gaan dood. Later begrijpt Ippie pas hoe hondjes op de wereld komen. Nadat hij al wist hoe sommige die wereld weer verlaten:

Als er te veel hondjes waren in een nest, sloegen we er een paar dood, met een grote steen. We verdronken ze niet, piepend en spartelend in een zak die niet wilde zinken, zoals… zoals Oom James.(p. 58)

Nu, in Oom James’ portiekwoning, praten ze over vroeger, de bersiaptijd, de tijd die ligt tussen de Japanse capitulatie en de Indonesische vrijheidsstrijd, een periode waarin je niet wist wie je vriend en wie je vijand was. Oom James komt met een bekentenis die hij nooit eerder aan iemand deed: hij vertelt hoe hij een rampokker, een (Indonesische) plunderaar, vermoordde:

Oom James komt uit zijn stoel en geeft mij een teken op te staan. Voor ik het weet heeft hij mij te pakken, achterstevoren, met een arm om mijn nek.

‘Kijk, zó, Ippie (…) heb ik zijn nek gebroken. Ik heb er altijd naar verlangd om het weer te doen, niet als ik bij mijn verstand ben, maar in mijn nachtmerries. Daarom slaap ik hier op de sofa. Ik durf niet in mijn eigen bed. Om het weer te doen, om het weer te doen, Ippie, om het ongedaan te maken.’

Wat moet ik doen? Kan ik mij losmaken uit zijn dodelijke greep? Oom James is oud en broos, er is altijd een kans dat niet mijn nek, maar zijn oude botten breken. Maar nu draait hij mij de arm op de rug en de pijn begint door mijn schouder te scheuren. Ze staan we, hijgend en zwetend. God weet hoe dat af moet lopen. Dan hoor ik achter mij iemand schreeuwen: ‘Opaatje, wat doe je daar!’

Het is een jong meisje, Oom James’ nichtje Djelma. Zij en Ippie brengen de oude man op diens eigen verzoek naar zijn bed, het bed waar hij niet meer durfde te slapen. Daarna komen Ippie en Djelma elkaar nader. We gingen op de sofa liggen, tussen de blauwe kussens met oranje vogels. Ze was ‘gatel’ en ‘gelem’. Ik joeg in haar lijf naar genot, als een luwak in een kippenhok.

De altijd sluimerende geslachtsdrift bij de jongensachtige helden van F. van den Bosch wordt hier voor het eerst (en het laatst) in zijn oeuvre manifest in bijna pantoenachtige bewoordingen.

Een pantoen is een kort vierregelig Maleis versje dat in de krontjongmuziek wordt gezongen. Pantoens hebben een subtiele, vaak dubbelzinnige woordkeus. Het fragment van F. van den Bosch zou als volgt kunnen luiden:


Op de sofa, tussen kussens blauw met vogels
Is zij gatel en gelem
Ik jaag in haar lijf naar genot
Als een luwak in een kippenhok

Hier klinkt krontjongmuziek uit op. Dat is wat ik bedoel in de mini-biografie over de schrijver in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt, wanneer ik de schrijver een hoog krontjong-gehalte in zijn teksten toedicht. Als klassieke pantoen zou deze wel elke subtiliteit ondubbelzinnig missen. De inclusie is wat moderner, die van de onervaren student die nog geen benul heeft van het minnespel. Of die van de Hollander die wars is van wat zweemt naar tantristische seks. Maar de Indische macho noemt zich ietwat verontschuldigend een luwak, een bunzing. Hij en het nichtje van Oom James vergaten de oude man in zijn beangstigende bed toen zij de oranje vogels op de blauwe kussens lieten vliegen op de thermiek van hun passie. En die nacht stierf Oom James.

De bundel wordt afgesloten met een nieuw verhaal over een bezoek aan Lapland, ditmaal zonder herinneringen aan Indië. Heeft F. van den Bosch zijn Indische verleden voorgoed achter zich gelaten? Het antwoord staat in zijn derde verhalenbundel.

*** De paginanummers in deze webversie verwijzen naar een licentie-uitgave van ECI, Vianen 1984; de 1e druk is bij Querido’s Uitgeverij B.V. 1983.

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Yournael

Over F. van den Bosch (1)

Het regenhuis en andere verhalen

Hij is geboren te Utrecht in 1922 en getogen in Baarn, waar zijn moeder les gaf aan het Baarns Lyceum. Daar, schreef hij me in een brief , in de tuin van het Lyceum, vlak achter ons huis, klom ik in de laag-vertakte dennebomen en brulde als een beer tegen de kinderen die om mij heen kwamen staan. Langs ons huis kwam de trein waarmee mijn vader naar zijn werk ging in Amsterdam. Soms ging hij ook naar Oostenrijk of naar Chamonix om de bergen te beklimmen. In de slaapkamer van mijn ouders was een hok met een schuifdeur en een koperen knip. Ik rustte niet vóór ik die knip open kon krijgen en de deur een klein eindje weg kon schuiven (het ging erg stroef), want in dat hok lag een grote stapel bergschoenen, pickels, klimijzers en rugzakken. Daar rommelde ik in, want, dacht ik: ‘Als ik verder en verder in deze hoop spullen kruip, kom ik uit in Chamonix waar vader is.’ De Alpentochten, die mijn vader ondernam toen hij zo in de twintig was, waren de prelude van zijn bergtochten in Indië (in het voetspoor van Junghuhn). En ook voor mij, bij nader inzien. Alleen, mijn ouwe heer liep, op z’n Europees, op spijkerschoenen, maar wij, in Indië opgegroeide kinderen, liepen op ked’s. KED was een Amerikaans merk tennisschoenen, wij noemden alle witte tennisschoenen ked’s.

Ik was vier toen we naar Indië gingen. Nog vóór we aan wal gingen had ik malaria. Mijn eerste jaren in Batavia was ik ongelukkig, lastig, jengelig en ziek. Daar word je Indisch van, weet je, want het gaat in je bloed zitten. Indië is voor mij in hoge mate wat je op foto’s en op de TV niet ziet: hitte, zweet, stof, stank, koorts en masturbatie. En ik leerde (Batavia’s) Maleis van de bedienden en Indisch van de kinderen op straat. Om de haverklap kreeg ik een uitbrander van mijn vader.

‘Praat niet zo Indisch!’

‘Ja, paatje.’

‘En zeg geen ‘pa’ tegen je vader als je ’t helpen kunt!’
(Want alle Indische kinderen zeiden ‘pa’, en dat was blijkbaar minderwaardig.)

Zo ging het jaren achtereen en de verhouding tot mijn vader werd problematisch. Ik begon te beseffen dat ik net zo’n dubieus jongetje was als Boelie en Boetie en Tjoh en Nono, de vriendjes van de straat met wie ik niet om mocht gaan.

Dit motief, met weglating van de vaderfiguur, vind je terug in Nom-de-guerre uit de bundel Het regenhuis en andere verhalen (Amsterdam: Querido, 1978). Het is een schelmenverhaal over twee jochies die in hun straatspel oog in oog komen te staan met vervaarlijke buaja’s uit de benedenstad maar ze weten te verjagen.

Buaja, hier in een van de oude Maleise spellingen, betekent letterlijk krokodil maar is ook een benaming voor jongens die op een of andere manier aan de rand van de samenleving staan. Buaja’s kunnen boosaardige vechtersbazen zijn, zoals Vincent Mahieu ze beschrijft in bijvoorbeeld Wharrrr-wharrrr-wharrrrr!. E. du Perron beschrijft ze als rondhangende zingende figuren met een gitaar om hun nek. In Gedong Lami uit Het land van herkomst zegt zijn moeder hem dat hij niet met die buaja’s mag spelen. Een van levendigste buaja’s uit de Indische letteren vind ik de figuur George, Tjrot genoemd, uit Toetie van Maria Dermoût. Deze, anders gespelde, boeaja is een aan lager wal geraakte Indo, maar hij gelooft nog in zijn gitaar en zijn muziek: de krontjong.

De buaja’s in F. van den Bosch’ Nom-de-guerre zijn eerder schavuiten in de belevingswereld van het jongetje dat de straat ontdekt. Met dit verhaal opent de schrijver zijn eerste verhalenbundel.`

Het bevat vier verhalen, die ogenschijnlijk onderling losjes verbonden. De schikking is chronologisch en geeft feitelijk de geschiedenis van een Indische jongen weer. In deze context geen Indo maar een jongen zonder een druppel Indisch bloed met evenwel zoveel soto in de aderen dat hij zijn land van aankomst bijna als zijn vader- of moederland is gaan beschouwen. F. van den Bosch geeft overigens zelden een beschrijving van het uiterlijk van zijn verhaalfiguren, het doet er voor hem kennelijk niet toe. Hij heeft het ook niet nodig, want de aard van zijn figuren is Indisch. De melodie van hun leven is bijna voortdurend tweestemmig: enerzijds is er het jongensachtig seksueel verlangen dat regelmatig de kop opsteekt, anderzijds is er de beleving in of de herinnering aan het voorbije Indië.

In Sarinah, de titel van een bekend Maleis liedje, wordt het leven geschetst in een Japans interneringskamp. Tamelijk onnadrukkelijk vergeleken met boeken uit de zogeheten kampliteratuur, want slechts eenmaal wordt een Japanner opgevoerd. F. van den Bosch beschrijft terloops het vage blauwe silhouet van het Idjèn-hoogland onder de wijde hemel. (p. 17) Ik moet dan denken aan mijn voorouders, die onder andere het Idjèn-plateau in cultuur brachten. Ze plantten er koffie, dat tegenwoordig in een supermarktketen wordt aangeboden onder de naam Gunung Blau.

Er speelt ook een klassiek tijgerverhaal in Sarinah, zo een dat mijn vader me vertelde bij de kolenkachel thuis in Den Haag. Aan de muur hing bij ons een schilderij van de Gunung Semeru, de vulkaan die een plaats kreeg in mijn roman Vogels rond een vrouw en ook door F. van den Bosch in Sarinah wordt herdacht, misschien als terloopse verwijzing naar het werk van Junghuhn.

De schrijver is opvallend expliciet in zijn tekening van Hein van Houten: een Indo. Er is ook een neef van Hein: Oom James. Onthouden die vent. Hier schept Oom James sajoer nog op de borden. Wat gebeurt er verder in het interneringskamp? Weinig. Iemand zingt een liedje, anderen zingen mee: Sarinah en Terang bulan.

Er was die nacht, zoals alle nachten, géén hoog gonzen van motoren in de lucht, géén alarm, géén bombardement van Banjuwangi achter de horizon, en in de onbekende désa aan de andere kant van de kali blafte geen hond. (p. 50)

Een oorlogsverhaal zonder oorlogstaferelen dus. Ik neig er toe te zeggen dat het typisch geen verhaal van de hand van een Indo is. Een Indo vertelt geen oorlogsverhaal zonder oorlogstaferelen. Is dat aantoonbaar? Ik denk het wel, maar ik volsta nu even met deze bewering.

Als ik een toptien moest samenstellen van de beste verhalen uit de wereldliteratuur, dan zette ik er Het regenhuis van F. van den Bosch bij. (Met Het veer van Simon Vestdijk, De reigers van João Guimarães Rosa en De danseres van Izu van Yasunari Kawabata, om u een indruk te geven.) De Japanse tijd is voorbij, de Indonesische vrijheidsstrijd is begonnen. Iemand, een (blank) kind van het land, probeert zich vast te klampen aan dat wat hij aanstonds voorgoed dreigt te zullen verliezen: een huis op vertrouwde Indische bodem. In een bijkans psychotische toestand probeert de hoofdpersoon nog iets van zijn oude toekomstdromen vast te houden: ik zal Manis het regenhuis laten zien. Dan zullen we er samen om lachen, en dan gaan we mangaan zoeken, of iets dat meer de moeite loont. Dan gaan we in Djember of Banjuwangi nieuwe kleren en gouden spelden kopen, handen vol, manden vol, geen erg dure natuurlijk, en dan sturen we Bung Karno een kaart met groeten van Leo en Manis. Onze kinderen kunnen warna negara worden en de palmbladeren zullen ritselen en glinsteren in het licht van de maan als zij oud zijn en aan hun kinderen vertellen dat hun vader diep in het oerwoud een paleis bezat. (p. 63-64)

Maar Indische kinderen zullen weldra niet meer geboren worden in het ontwakende Indonesië, en zeker niet uit Manis en Leo, die zich doodvecht in de maand augustus 1951, toen ikzelf aan de andere kant van de oceaan werd geboren.

De schrijver zelf verliet het land. Wat ik deed na aankomst in Holland? schreef hij me. Ik ging in Leiden studeren, d.i. lanterfanten, films kijken en naar Katwijk wandelen. Ook was ik altijd verliefd, steeds op de verkeerde. En na 1963 ging ik door met lanterfanten en verliefd zijn, verschrikkelijk. Ik werkte overigens aan de UB, later aan de Bibliotheek van de Vereeniging ter bevordering van de Belangen des Boekhandels (heb je dat?). Daar ging ik na verloop van tijd voor halve dagen werken, zodat ik nu moet leven van een half pensioen. Overigens verdeed ik mijn vrije dagen aan reizen naar Lapland en naar Indonesia, naar Amerika en Engeland en Ierland. (…) Mogelijk heeft Aya Zikken, een schoonzuster van mij, mij bij Reinold Kuipers van Querido geïntroduceerd. Reinold zette mij aan tot schrijven, waar het tenslotte moeizaam van kwam.

De hoofdpersoon uit het laatste verhaal van de bundel, getiteld Disponent Anderson, maakt een voettocht in het hoge Noorden, F. van den Bosch’ Lapland. Die zal daar wel niet op ked’s lopen. Het oerwoud in Indië is als het ware getransformeerd in een kil landschap met dennen, waar geen dier is te zien, alleen de elandenkeutels, die er bij honderden liggen. De ik-figuur heeft rijst en dèndèng bij zich, maar een van zijn metgezellen, genaamd Lafaille, die uit Indië komt, chocoladepudding. Ik krijg het koud van dit verhaal, dat voortkabbelt als W. F. Hermans’ roman Nooit meer slapen, een boek dat ik nooit heb kunnen uitlezen. Ik begin te gapen, totdat de ik-figuur, die ten onrechte aldoor Fred wordt genoemd, zich afvraagt: Wat is het eigenlijk dat ik op Linarave zoek? Wat heeft mij hierheen gebracht? Het toeval? (…) Of is het de lange ballingschap in Holland, de verborgen kracht van het heimwee naar Babu Suntjiani, naar mijn vriend Ted, naar een meisje van toen? (p. 102)

Ted heeft dezelfde bijnaam als het jeugdvriendinnetje in Jeroen Brouwers’ latere roman De zondvloed . Tikoes betekent muis en is hier, in het verhaal van F. van den Bosch, een jeugdvriend. De herinnering aan hem, die de oorlog niet overleefde, gaat over in een andere, waarin ze (de Europeanen) als gevangenen in de trein door omstanders langs de spoorlijn worden uitgejouwd. In die tijd liet ons dat gejoel onverschillig, omdat het mager klonk, omdat we wisten dat het was georganiseerd (…) Maar nu, na twintig jaren, hier op Linavare, vreet dat gejoel, als een latente, nooit genezende malaria, van binnen uit. Ik geloof dat ik zit te grienen op Linavares top. Het duurt lang voor ik ben uitgehuild. (p. 103)

Verdriet uit zich niet zelden plotseling op vreemde lokaties, plekken die de treurende geen wonden hebben gebracht. Hier plaatst het als het ware een punt achter Het regenhuis en andere verhalen, een transparant vierluik met een nostalgische trilling in het gezichtsveld van de lezer. Het jongensverhaal van een Indische jeugd, de verstoring van het idyllische leven door de Japanse bezetting, de teloorgang van de koloniale bezetter – zeg de bloedverwant van de hoofdpersoon – en tenslotte de herinnering, met de melodie van het verlies in het hoogste register.

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Yournael