Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010

Treinspoor naar het dak van de wereld

het spoor naar tibet China is hot. Tibet is cold, ook wanneer er toeristen worden toegelaten. De grote Chinese leider Mao liet ruim een halve eeuw terug twee wegen aanleggen naar de woeste hoogten van een van de geheimzinnigste gebieden ter wereld. Voor elke kilometer viel een arbeider dood neer, maar een kniesoor die daar op lette. Wat hadden de Chinezen eigenlijk te zoeken in dat hoge, bijkans onherbergzame Tibet met zijn gevreesde hoogteziekte, die alleen Tibetanen kunnen weerstaan?

De Amerikaanse antropoloog Abrahm Lustgarten wijdde er een boek aan. Het is vertaald door Gerrit Jan Zwier en houdt het midden tussen een reisverslag, een antropologisch onderzoek en journalistiek. Centraal staat de aanleg van een spoorlijn in de huidige eeuw over ruim 1100 kilometer naar het dak van de wereld. Alleen Chinezen, met hun traditie van spoorwegen aanleggen, halen zich zoiets in hun hoofd. Er moest veel, heel veel voor het plan wijken. Zesduizend kloosters werden vernietigd, om maar wat te noemen. Toeristen die zich mogen vergapen aan gouden boeddha’s, bekijken replica’s van wat ooit door de Chinezen werd geroofd en omgesmolten. Dat wordt hen natuurlijk niet verteld.

Hoewel Lustgartens sympathie uitgaat naar de onderdrukte groep, komt hij ook met enkele boeiend geschreven portretten van Chinezen die met de bouw van de enorme spoorlijn te maken hadden. Het zijn de prettigst leesbare stukken. De politiek staat immers ver van de gewone mens af en kan dan ook bijna niet anders dan droog worden neergepend. Zoals de vroege bemoeienis van de Engelsen met het gebied en de actieve rol van de Amerikaanse CIA, die de Tibetaanse guerrilla’s trainde maar tegelijk de Chinese heerschappij over Tibet officieel erkende.

De expansiedrift van de Chinezen gaat niet alleen om Tibets ijzererts en overige delfstoffen. De krankzinnige goudkoorts die maandelijks honderdduizend Chinezen naar de trein doet hollen, maakt van de hoofdstad Lhasa een protserig en poenig oord van kitsch en hoererij, waar Tibetaanse kinderen in een wereld van gadgets hun eigen taal niet meer zuiver spreken.

Nog geen twee jaar geleden was de Qinghai-Tibetspoorlijn opeens gevuld met soldaten van het Volksbevrijdingsleger. Die zou buitenposten van het Indiase leger aan de betwiste grens met Arunachal Pradesh hebben vernietigd. Oorlogen zullen in de toekomst om water gaan en beide enorme landen zijn afhankelijk van wat er uit de Himalaya omlaag stroomt.

Lustgarten lijkt al zijn kennis over Tibet in dit ene boek te hebben willen proppen. Gevolg is dat na vele bladzijden over die ene krankzinnige spoorlijn er in hoofdstuk 10 opeens een hypermodern vliegveld in Lhasa uit de hemel komt vallen. Door een overvloed aan details is dit boek niet direct geschikt als vakantielectuur. Maar daar is het ook niet voor bedoeld. Het is maar dat u het weet.

Auteur: Abrahm Lustgarten
Titel: Het spoor naar Tibet.
Paperback, aantal pagina’s 320 (met noten)
Uitgever: Atlas
Prijs: € 24,90

© 2009 Alfred Birney. Deze recensie verscheen eerder verkort en geredigeerd in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 6 juni 2009 onder de titel Met de trein naar Tibet.

Confucius ontmanteld

Confucius China is hot. En dus kan Confucius de boekenkist uit en in de etalage worden gezet. Maar China is niet meer als voorheen. Complete steden verdwijnen onder wolkenkrabbers en het colbert heeft het Chinese jasje verdrongen. Tijd natuurlijk voor een gloednieuwe biografie over Confucius. Is dat mogelijk met fors uitgedund bronnenmateriaal? Annping Chin mikt zonder blikken of blozen tien werken uit de Dertien Klassieken de waterput in voor ze zich van haar taak kwijt. Ze wenst zich vrijwel uitsluitend te baseren op de Gesprekken van Confucius en de Commentaren van Zuo. “Als dat betekende dat mijn verhaal grote leemten zou vertonen, had ik dat maar te accepteren,” schrijft ze ter verantwoording. Waarmee ze die acceptatie uiteraard ook van de lezer vraagt. Ze neemt de Gesprekken, een soort bloemlezing van verschillende auteurs, omdat Confucius dan niet kan worden vastgepind op “een rol als promotor van zijn leer”. De Commentaren van Zuo zijn ooit door de overheid samengesteld en kunnen dus dienen voor alles wat van politiek belang was tijdens het leven van Confucius. Het beroemde Boek der Veranderingen, de I Tjing, waarin de Commentaren aan Confucius en zijn leerlingen worden toegeschreven, krijgt niet eens een vermelding! Nou, dan moet je wel met iets wereldschokkends komen. Het wordt al snel duidelijk dat Annping Chin, geboren in Taiwan en wonend en docerend in Amerika, weinig op heeft met de allereerste geschiedschrijver van China, genaamd Sima Qian. Die man schreef immers meer dan honderd biografieën over allerlei figuren en gebruikte zijn fantasie zodra zich leemten vertoonden, zoals in het leven van Confucius. Annping Chin stelt daartegenover een gortdroog verslag van een Chinese wijze die aldoor moeite moet doen om een aanstelling te krijgen bij hertogen, vorsten, kanseliers, koningen en omhooggevallen kooplieden die een ambtelijke functie zijn gaan bekleden. Haar boek heeft als subtitel: Een leven tussen filosofie en politiek. De biografe zet haar held eerst hoofdstukken lang neer als een raadsheer voor allerlei politici en machthebbers die elkaar voortdurend bevechten. Wanneer Confucius in een mistige periode van zijn leven veertien jaar een zwervend bestaan leidt, tovert de schrijfster verscheidene geschiedschrijvers uit de hoge hoed, zolang ze maar geen Sima Qian heten. Alleen feiten die haar demythologisering van Confucius ondersteunen, glippen door haar wetenschappelijk filter. Die zijn zo oninteressant dat Confucius zelfs de liefhebber begint te vervelen. Waarom moet de filosoof zo nodig van zijn voetstuk? Wat was zijn werkelijke betekenis voor China? De schrijfster zwijgt, het gaat over háár relatie met Confucius, ze sluit de lezer buiten. Je bent blij wanneer ze aan het einde van haar boek Mencius aanhaalt, de grote navolger van Confucius. Mencius schreef namelijk erg goed. Dat moet Annping Chin nu ook maar eens gaan leren. Dit is immers al haar vijfde boekpublicatie.

Auteur: Annping Chin
Titel: Confucius. Een leven tussen filosofie en politiek.
Paperback, aantal pagina’s 287 (met noten)
Uitgever: Athenaeum – Polak & Van Gennep
Prijs: € 22,50

© 2008 Alfred Birney. Deze bespreking verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 17 januari 2009 onder de titel Biografie met grote leemtes. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina. Wie deze regel negeert, ontvangt een rekening.

Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Ons Indisch erfgoed

De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.

Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.

Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 11 oktober 2008 onder de titel: De Indische literatuur achter de dijken. Antropologe Lizzy van Leeuwen zet in “Ons Indisch erfgoed” de Indische geschiedenis van Nederland op zijn kop.

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Indië in diffuus perspectief

de oude Indische wereld De geschiedenis van koloniale handelsvestigingen in Azië wordt meestal verteld uit het gezichtspunt van de nieuwkomers, de kolonisatoren.’ Zo opent een hoofdstuk uit De oude Indische wereld, van Ulbe Bosma en Remco Raben. De auteurs zijn wetenschappers van de nieuwe lichting en doen een poging die wereld in een niet-koloniaal perspectief te plaatsen.

De term ‘Indisch’ wordt doorgaans in twee betekenissen gebruikt, zeggen ze: als ‘koloniaal’ en als ‘aanduiding van Euraziatische gemengdbloedigheid’. Beide omschrijvingen vinden ze onbevredigend. ‘De Indische wereld bestond dankzij het kolonialisme, maar ontwikkelde een eigen dynamiek, waarin het koloniale bestuur slechts een van de bepalende elementen was.’ Om deze stelling te omkleden kozen ze voor de familiegeschiedenis als leidraad in hun geschiedschrijving. Met deze strategie begeven ze zich op het terrein van biograaf en romancier. Dat dat een meer dan redelijke schrijfkunst vereist dan wetenschappers over het algemeen tonen, laat zich raden.

De auteurs opereerden eerder in een groter teamverband in het toegankelijke, populaire boek Uit Indië geboren (1997), waarin de vrouw de hoofdrol kreeg toebedeeld. Kennelijk willen Bosma en Raben niets meer dan dit jeugdavontuur weten; de titel staat althans niet in de literatuurlijst van hun jongste werk.

Helaas zal zowel de beginnende als de ingewijde lezer soms tureluurs worden van de wankelmoedige vertel- en betoogtrant die de auteurs etaleren. De beschrijving van de vereniging van families gaat ten onder aan een hoeveelheid namen waar zelfs geen klassieke Russische roman tegenop kan.

Bij een naam hoort iets karakteristieks, wil je een geschiedenis vertellen. Of een familie nou uitgebreid of bondig wordt beschreven, er is werkelijk geen telg die de lezer bijblijft. Waar een romancier vijf bladzijden voor neemt, wordt door Bosma en Raben amechtig in een alinea gefrommeld. Impressies van het leven van de dag worden aardig beschreven, totdat er weer zo’n stoet van lokale moeders, Europese vaders, zwagers, aangewaaide neven, nichten, al dan niet erkende kinderen en geschaakte prinsessen in een fletse processie over de bladzijden komt aan marcheren. Duizelingwekkende genealogie, droge geschiedschrijving, softe polemische terzijdes en nietszeggende cijfers vormen geen eenheid in dit boek. Dat is jammer vanwege de soms interessante informatie die in deze sociaalboekhoudkundige tjampoer vol stijlbreuken zit. De Indische wereld wordt alleen maar diffuser dan ze al was. En onze geschiedenisleraren hebben het er al zo moeilijk mee.

Soms slaan de auteurs er maar een slag naar als ze geschiedkundige feiten gebruiken om hun familieschetsen te kleuren. Op grond van de ontdekking dat privé-gevangenissen niet alleen in Deli maar ook in de Vorstenlanden bestonden, neemt men meteen in een adem aan dat de planters op Oost-Java vergeleken met die in Deli ‘in gebrek aan scrupules ten opzichte van de bevolking en in gebrek aan respect voor het Binnenlandse Bestuur niet voor elkaar onder’ deden. Hebben Bosma en Raben dan nooit van de ‘Koelie-ordonnantie gehoord die alleen gold in Deli en de planters sinds 1880 in staat stelde eigenhandig doodstraffen uit te voeren? Daar kunnen ze De waaier van het fortuin (1998) van J.J.P. de Jong op naslaan, om maar een belangrijke titel te noemen. Dat boek staat toch netjes vermeld in hun eigen literatuuropgave.

Nog erger is dat de auteurs in hun eigen valkuilen trappen. Raciale kenmerken als scheidslijnen in koloniale samenlevingen wogen minder dan verschillen in klasse, opleiding, cultuur en sociale omstandigheden, is het refrein in dit boek. Laten dat nou net de verschillen zijn waar het koloniale bestuur zo de hand in had. Maar schreef het duo eerder niet dat het koloniale bestuur ‘slechts een van de bepalende elementen was’? Bedeesd wordt gehannest met raciale criteria, die Bosma en Raben het liefst zouden wegmoffelen; racisme wordt gemakshalve op straat gesitueerd alsof daar geen gouvernementslieden rondliepen.

Een eigenschap van koloniale studies die ze onderuit willen halen is de marginale positie van de ‘mestiezen’. Hun gemengde afkomst maakt hen ‘vreemd aan zowel Aziaten als Europeanen en daarmee marginaal’. Marginaliteit is taboe voor het schrijversduo, dat pleit voor een ‘positievere interpretatie van de mesties als intermediair tussen de Europese en Aziatische delen van de samenleving’. Terwijl het intermediair door zijn marginaliteit nou juist zijn identiteit krijgt. Wat een bevoogding achteraf! En dat wil de kolonialistische geschiedschrijving te lijf.

Etniciteit speelde dus een rol maar was verder weinig bepalend. Intussen rollen de ‘totoks’, ‘Indische jongens’, ‘kleurlingen’, ‘inlandse kinderen’, ‘sinjo’s’, ‘liplappen’, ‘creolen’, ‘Ambonezen’, ‘Indo’s’, ‘volbloed en halfbloed Europeanen’ onafgebroken over het toneel. In hun zucht generalisaties weg te redeneren, maken de auteurs het oude Indië nog mooier dan de hardnekkigste tempo doeloe-freak doet. Het lijkt wel een wetenschappelijke reclamecampagne. Maar dan: ze noemen krontjongmuziek niet ‘authentiek Indisch’, kennelijk met het oog op de Portugese fado. Nou, wat was ‘authentiek Indisch’ dan wel? Een smeltkroes waarin ‘authenticiteit’ een ‘nieuwe dynamiek’ kreeg? Zoiets wordt betoogd en vervolgens door de bedenkers zelf weer onderuitgehaald. Geen touw aan vast te knopen.

Een regelrechte blunder is het gebruik van de term Indonesiër toen ze nog niet bestond en verderop in het boek doodleuk de abjecte term ‘inlander’ te gebruiken toen de term Indonesiër al wel bestond. Niet elke totok was een koloniaal, wordt ons lezers ingepeperd. En met de invloed van de nieuwkomers aan het begin van de twintigste eeuw viel het ook allemaal wel ‘reuze mee’. Er valt trouwens een heleboel ‘reuze mee’ in dit boek. Je zou bijna vermoeden dat de auteurs die vierhonderd bladzijden in sarong en kabaja uit antieke schrijfmachines hebben zitten hameren in een oud koloniaal landhuis ergens op Java.

De wetenschapper leeft achter een façade van voetnoten in een wereld waar een veelal kleinzielige naijver speelt. Elk hoofdstuk, elke alinea, elke zin, elke term dient te worden verantwoord tegenover collega’s, willen ze serieus genomen worden. Ook Bosma en Raben nemen, hun ongetwijfeld goede bedoelingen ten spijt, hun collega-wetenschappers serieuzer dan het lezerspubliek. Dat mag best, maar dat kan ook op A4-tjes in een ringbandje. Is geen paperback voor nodig.

Ulbe Bosma en Remco Raben
De oude Indische wereld 1500 – 1920
Uitgever: Bert Bakker
Prijs: € 25

© 2003 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van de Haagsche Courant op vrijdag 31 oktober 2003.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Recensies

Dans op een choreografie van gisteren

Door: Wilfred Jonckheere
Universiteit van Natal

Tydskrif vir Nederlands & Afrikaans 8ste Jaargang, Nommer 2.Desember 2001

Alfred Birney belongs to a group of so-called Indo-writers in the Netherlands. Most of them were born in the Netherlands as the offspring of “Indo’s” or people of racially mixed descent that hailed from Holland’s former colony of the Dutch East Indies (now known as Indonesia). In this paper three of Birney’s Indo-novels are discussed, namely Vogels rond een vrouw (1991), De onschuld van een vis (1995) and Het verloren lied (2000). These novels stand out in Birney’s work as he has also produced novels and short stories which cannot be classified as Indo-literature. The above mentioned novels are to a certain extent auto-bio­graphi­cal, but more importantly, they raise, amongst other things, the dilemmas and tensions of the young Indo victimized by family traumas which have their origin in the colonial past. This paper sets out to define specific characteristics of Birney’s three novels which illuminate important aspects of Dutch post-colonial literature.

In zijn The location of culture poneert Homi Bhabha (1994: 12) dat trans­natio­nale geschiedenissen van migranten, van mensen die gekoloniseerd zijn of van politieke vluchtelingen thans een prominente plaats in de werel­d­literatuur innemen. Zijn woorden schijnen de laatste jaren be­ves­ti­ging te krijgen in Nederland waar literair werk van (tweede ge­ne­ra­tie) mi­granten met de publicatie van werk van Abdelakader Benali, Yas­mine Allas, Kader Abdolah en Lulu Wang de laatste tijd veel aandacht krijgt. Men zou echter gemakkelijk kunnen vergeten dat andere “etni­sche” schrijvers van bijvoorbeeld Surinaamse, Antilliaanse of Indisch-Ne­der­landse (“Indo”) herkomst dit soort literatuur al geruime tijd be­oe­fe­nen, maar dan natuurlijk vanuit een ander perspectief. Een van de Ne­der­landse Indoschrijvers, namelijk Alfred Birney, auteur van zes ro­mans (waar­onder drie Indo-romans), een verhalenbundel, de bloem­le­zing Oost-Indische inkt (1998) en een bundel beschouwingen, verdient onze aandacht. [i]

1. Indo-schrijvers

De Nederlandse Indo-schrijvers zijn de nazaten van “Indo’s”, dit wil zeggen Indo-Europeanen of mensen van gemengd bloed, afkomstig uit de voor­ma­lige kolonie “Nederlands-Indië” (thans bekend als de Republik In­do­ne­sia). Tot deze Indo-schrijvers die allemaal in Nederland na de on­af­han­kelijkheidswording van Indonesië geboren zijn en die zich als de “twee­de generatie” Indo’s zien, rekent men naast Alfred Birney ook Marion Bloem (wellicht de bekendste van deze groep), Jill Stolk, Ralph Boekholt, Nicolette Smabers, Ernst Jansz, Glenn Pennock, Theodor Holman. [ii] Bloem en Birney zijn literair gesproken het meest productief. Voor inwoners van het multiculturele Zuid-Afrika is hun werk bijzonder in­­te­res­sant door de herkenbaarheid van de problematiek die erin ter spra­ke komt. Zij behoren van huis uit tot een mengcultuur en zetten zich in hun boeken met variërende heftigheid af tegen marginalisatie en ver­meend racisme van hun landgenoten.

Hun werk behoort tot de postkoloniale literatuur indien we met Ashcroft, Griffiths en Tiffin (1998: 186) postkoloniale literatuur defi­ni­ëren als de literaire werken die zich bezighouden met “the effects of co­lo­nizations on cultures and society”. In The empire writes back (Ashcroft e.a. 1994: 2) zeg­gen deze auteurs: “We use the term “post-colonial”, however, to cover all the culture affected by the imperial process from the moment of colo­ni­zation to the present day. This is because there is a continuity of pre-occu­pa­tions throughout the historical process initiated by European imperial aggression”. Ashcroft en zijn collega’s hadden natuurlijk de agressie van het Britse “empire” in gedachten, maar hun definitie kan men ook van toepassing maken op de Nederlandse kolonies en de gevolgen van het koloniaal beleid voor zekere mensen en groepen.

De Nederlandse Indo’s van de tweede generatie vormen echter een bijzondere groep: persoonlijk hebben ze het oude Nederlands-Indië nooit gekend aangezien ze na de koloniale periode in Nederland geboren zijn of (zoals Boekholt en Pennock) naar Nederland kwamen toen ze nog kinderen waren. Aan de andere kant zijn hun ouders (of toch een van beiden) wel in het voormalige Nederlands-Indië geboren en ge­to­gen. Zij vormden destijds in het hiërarchische Nederlands-Indië een spe­ciale groep, tussen de Nederlanders en de inheemse bevolking in, maar dichter bij de Nederlanders zelf. Na de vrijmaking van Indonesië wer­den zij ook als een soort landverraders gezien en kozen vele Indo’s ervoor zich permanent in Nederland te vestigen. De nawerking van de traumatische jaren veertig in de kolonie en de moeilijke integratie in de Nederlandse samenleving lieten bij niet weinigen van deze generatie diepe sporen na. De meesten voelden zich nog Indisch, bleven Maleis spreken met hun vrienden en gingen nog op in de cultuur van het oude moederland. Hun kinderen, de zogenoemde tweede generatie, waren natuurlijk getuigen van die fenomenen waarvan ze zich vervreemd gingen voelen omdat zij al voor een goed deel vernederlandst waren. De schrijvers onder hen deden wel hun voordeel met wat ze van hun ouders over de koloniale periode vernamen. Het leverde vertelstof op die ze op persoonlijke wijze en gemengd met eigen ervaringen in Nederland verwerkten in hun geschriften.

Dat was bijvoorbeeld het geval met Alfred Birney wiens vader ten tijde van de politionele acties [iii] in de late jaren veertig de kant van de Neder­landse overheid had gekozen, zich daardoor vervreemdde van zijn Indo­nesische landgenoten en na de onafhankelijkheidsstrijd in Neder­land belandde, een voor hem totaal onbekende omgeving. Vervreemding van de eigen wereld, diaspora, desoriëntatie of “dislocation” zijn ka­rak­te­ris­tiek van post-koloniale cultuur. [iv] De invloed van land en cultuur waar de migranten belandden – in het geval van de Indo’s: Nederland – heeft al­tijd op de verplaatste groep en vooral hun nakomelingen een grote nawerking gehad. Voor Birney’s vader leidde de migratie en vooral het onverwerkte verleden tot onstabiliteit, paranoïa en het uiteenvallen van zijn gezin. Zijn zoon Alfred daarentegen slaagde er gelukkig in om die negativiteit voor een goed deel om te buigen tot creativiteit in de vorm van een literair oeuvre waarin hij zich afreageert op het huiselijke milieu waaruit hij afkomstig was.

Autobiografische trekken treft men niet alleen in Birney’s werk aan maar ook in dat van zijn groepsgenoten waarin eveneens de problematiek van de Indo in Nederland of van de late nawerking van het Nederlandse koloniale beleid behandeld worden. Fragmenten uit hun werk komen voor in de laatste afdeling van de bloemlezing Oost-Indische inkt (1999), samengesteld door Alfred Birney.

2. In het voetspoor van de Arend

Birney’s eerste romans, Tamara’s Lunapark (1987) en Bewegingen van heimwee (1989), verschenen niet onder het etiket van Indo-literatuur. Hij wil­de in de eerste plaats naam maken als een Nederlands schrijver en koos thema’s waarin de zoektocht naar het verleden en een verlangen naar geborgenheid gestalte krijgen.

Birney blijft herinneringen najagen in zijn eerste Indo-roman, Vogels rond een vrouw (1991). De thematiek van de zoektocht naar de eigen iden­ti­teit, de bijzondere structuur en de stijl van de roman droegen ertoe bij dat dit verhaal bijval oogstte in de Nederlandse pers. [v] Het zal ook gehol­pen hebben dat het hier om Indisch-Nederlandse literatuur gaat, een gen­re dat nog steeds erg in trek is in Nederland.

Afgezien daarvan kan men zich afvragen of de bijval in de Nederlandse pers verband houdt met schrijversstereotypering, een fenomeen waaraan Birney zich vaak heeft geërgerd. In zijn controversiële Yournael van Cyberney (2001) klaagt hij de “Apartheid in de literaire kri­tiek” in Nederland aan. Hij heeft het daar onder meer over zijn dilemma als schijver: “representeer je een groep of jezelf? In mijn geval: re­pre­sen­teer je de Indische groep van je vader, de Hollandse groep van je moeder of beide? Op grond van mijn uiterlijk is het eerste gewenst, niet direct het tweede” (156). Zijn hoofdbezwaar is tegen diegenen die specifieke ver­wach­tingen van hem als schrijver koesteren en het niet kunnen verwerken dat hij zich evenzeer Nederlander als Indo voelt en het recht heeft om over beide onderwerpen te schrijven. Hij zegt verder: “Beide groe­pen tegelijk vertegenwordigen wordt (onbewust?) gezien als vals spel, onduidelijk gedrag, op zijn ergst als verraad” (157). Volgens Birney bespraken zekere recensenten alleen zijn “Nederlandse” romans, terwijl anderen alleen belangstelling hadden voor zijn Indisch-Nederlandse of postkoloniale romans.

Het verhaal van Vogels rond een vrouw speelt zich in Nederland én in Indonesië af en strekt zich uit over een vrij lange periode: vanaf de jeugd van Alan Noland in het ouderlijke huis in Nederland tot de reis door Java wanneer hij veel ouder is en het raadsel van zijn Indo-vader en diens voorgeslacht ter plekke probeert te ontrafelen. Als we het verhaal zo bekijken gaat het zoals in de eerste romans weer om een zoektocht, een reis door het doolhof van het verleden, een (vruchteloze) poging om in het reine te komen met het heden.

Volgens Cirlot (1962: 157) in navolging van Carl Jung is reizen een beeld van een aspiratie, van een niet-verzadigd verlangen dat nooit zijn doel vindt. Tussen reizen en zoeken is geen verschil. Het is een poging om de weg door en uit een doolhof te vinden. In Alan Nolands geval is dit de doolhof van het heden en het verleden van zijn familie in diverse tijdperken en gebieden van de wereld. Hij blijft op zoek of op reis naar de waarheid, maar die is niet te achterhalen of te formuleren omdat die niet absoluut is. Iedereen heeft zijn eigen waarheid.

Birney biedt zijn verhaal in drie afdelingen aan die elk onderverdeeld zijn in een reeks hoofdstukken bestaande uit taferelen in diverse toonaard. Deze gefragmenteerde vertelwijze gecombineerd met het gebruik van verschillende vertellers is een uiterst geschikte techniek om het door omstandigheden verbrokkeld bestaan van de hoofdpersoon te reconstrueren.

In elke afdeling maakt hij op effectieve wijze gebruik van ver­schil­lende vertellers die echter uitingsvormen zijn van dezelfde persoon. Eerst komt een ik-spreker aan de beurt die de lezer inlicht over de jeugd­ja­ren van Alan en zijn broer Philip Noland die opgroeien in een huis­ge­zin in Nederland dat gedomineerd wordt door een schizofrene vader met de naam Arend. [vi] Arend is een Indo die petjoh [vii] met zijn vrienden praat, getrouwd is met Anneke, “een Brabantse schoenmakersdochter” (17) maar door zijn Indisch oorlogsverleden helemaal onstabiel is geworden. Deze “verloren zoon” (27) die raadselachtig verbonden is met zijn verre moeder, heeft zijn ziel op Java achtergelaten (14), en voert, zoals later blijkt, een “papieren guerilla-oorlog” (38) op zijn tikmachine om zijn mémoires te schrijven. Zijn onstabiliteit uit zich ook in agressiviteit tegen zijn familie en zijn nachtelijke dwaaltochten door het huis wanneer hij in zijn schimmenwereld op zoek is naar Indonesiche terroristen. Het blijkt dat hij als Indo destijds in de politionele acties voorafgaand aan de Indonesische onafhankelijkheid aan de kant van de Nederlanders gevochten had.

De jonge en sensitieve Alan en zijn broer worden thuis gefascineerd door diverse objecten van Indische oorsprong: de drie familieportretten boven het bed in de ouderlijke slaapkamer, de Chinese vazen (een ge­schenk van de geheimzinnige op Java wonende Chinese grootmoeder Sie Swan Nio), het schilderij met een Indonesische vulkaan, de myste­rieu­ze pak­jes die van tijd tot tijd uit het verre Indonesië aankomen en die de achter­dochtige moeder Anneke prompt weggooit omdat ze bang is voor vergiftiging en “goena goena”. Alans huiselijke wereld is dus een we­reld die door een reeks geheimzinnige Indische objecten en vrees onder­mijnd wordt. Dit heeft tot gevolg dat hij slaapwandelt “s nachts wat ook een soort zoeken naar een onzeker doel is.

In deel twee van deze roman verandert het vertelperspectief van de “ik” in een combinatie van “jij” en “ik”, beide uitingsvormen van dezelfde focaliserende persoon, namelijk Alan Noland. We zijn nu een heel aantal jaren verder in de handeling en de vertellende of schrijvende “ik” is in het vertelheden als het ware in een gesprek met de “jij” van vroeger: “Ik leg dadelijk de pen neer. De ochtend gloort. Ga jij maar slapen” (94) zegt hij tegen zijn alter ego aan het eind van deze afdeling. Deze tweespraak met de eigen persoon werkt heel goed om de ontwikkeling van groeiende inzichten in het raadsel van de vader en diens herkomst te relativeren. Vogels rond een vrouw is inderdaad een soort “Vatersuche”, een poging om hem die tegelijkertijd veracht en bemind wordt, te verstaan. Afgezien daarvan is het ook een zoektocht naar de raadselachtige grootmoeder Sie Swan Nio wier “magische aanwezigheid” (10) vanaf de eerste bladzijden aanvoelbaar is. De grootmoeder die steeds in Indië gewoond heeft en daar overleden is, treedt nooit reëel op in het verhaal. Zij is de grote afwezige/aanwezige die zich soms in geheim­zin­nige situaties of in Alans dromen openbaart omdat hij volgens zijn vader haar lievelingskleinkind was. Instinctief beseft Alan echter dat zij een sleu­tel kan zijn om de deur naar zijn vaders raadselachtige verleden te ope­nen. Alles wat er van haar overblijft is haar portret en ook een beetje zand dat afkomstig is van haar graf op Java en de geheimzinnige Chinese vazen waarvan zijn vader hem en zijn broer er elk een cadeau doet. Het zijn objecten met een geheimzinnige lading die, Alan – nu een jonge man – ertoe aan zetten om iets van de verborgen Indische realiteit die ach­ter deze objecten schuil gaat, in de voormalige kolonie op te sporen. Op­nieuw dus het motief van de zoektocht, een essentiële component in het werk van Alfred Birney. Ook de beheptheid met dingen die een reali­teit of een wereld schijnen te verbergen is hier belangrijk roman­motief.

Voor het derde en het langste deel van Vogels rond een vrouw, maakt Birney nu, zoals in de meeste van zijn andere romans, gebruik van een externe vertelinstantie. In tegenstelling tot de andere romandelen waar alles in de verleden tijd geschiedt, schakelt de verteller nu over naar de tegenwoordige tijd om Alans reis naar en door Indonesië te actualiseren. Het motief van de reis naar Indonesië is volgens Frank Vermeulen (1988: 230) een typisch element van Indo-romans. Volgens hem is die reis een “beeld van het op zoek gaan naar de eigen identiteit.” Al deze “roots”-reizen zijn ook pogingen om in de tijd te reizen en daarom gedoemd te mislukken. Dat geldt bijvoorbeeld voor Zon in Marion Bloem’s Geen gewoon Indisch meisje of Joch in de roman De overkant van Ernst Jansz. Hetzelfde geldt voor Birney’s hoofdfiguur. Alans bedoeling is om het beeld dat hij zich aan de hand van zijn vaders memoires gevormd heeft te toetsen aan de werkelijkheid en diens Indisch mysterie te ontrafelen. Zijn zoektocht levert echter weinig op. Aanvankelijk heeft hij een “ge­voel van thuiskomst” (102) in Jakarta, maar de ontdekking van zijn va­ders – en in zekere zin ook zijn eigen – land van herkomst leidt toch tot een teleurstelling. De mensen en de natuur waarover hij in verhalen van zijn vader en uit brieven gehoord had, nemen plotseling reële vormen aan: tante Lea, bijvoorbeeld, die met haar dochter en kleinzoon in Soera­baya woont en wiens man, Josida, tijdens de onafhankelijkheidsstrijd spoor­loos was verdwenen. De grote vraag voor Alan is of zijn vader wel was wat hij beweerde ooit te zijn geweest? Het blijkt nu dat de vroegere helden­daden van zijn vader waarvan hij zogenaamd nog de littekens draagt, verzinsels zijn geweest. Tante Lea schept twijfel over diens zo­ge­naamd militair verleden. Volgens haar bezat haar broer niet eens een ge­weer en ging hij zelden het huis uit in die stormachtige periode.

Alans bezoek aan diverse familieleden en zijn kennismaking met Jakarta, Surabaya, de berg Kawi, Yogyakarta en Ungaran waar zijn groot­moeder begraven ligt, heeft iets van een bedevaart, zelfs een boetetocht. Het is een poging om iets van het verleden ongedaan te maken, boze mach­ten te bezweren en raadsels op te lossen. Alan zoekt ook zijn weg door de doolhof van oude familierelaties en intriges maar wordt tenslotte niet veel wijzer. Uiteindelijk beseft hij dat hij niet meer dan een waar­de­loze “cicak”, een soort salamander, is en dat hij danst “op een cho­re­o­gra­fie van gisteren. Ik jaag op muggen die hier niet meer zijn” (140). Het ver­waarloosde graf van zijn grootmoeder in Ungaran is het eindpunt van zijn pelgrimstocht. Zijn aandacht wordt afgeleid door een krassende raaf, soort­gelijk aan degene die Alans moeder Anneke jaren geleden in haar ka­mer in Holland had gezien toen ze instinctief wist dat de oude groot­moeder op Java overleden was (31).

Vogels, bekende symbolen voor menselijke geesten of zielen, functioneren in deze roman meestal als de aankondigers van de angst­wek­kende of de spookachtige dimensies van het bestaan. Angst wordt bij­voorbeeld al gesuggereerd door de bijnaam van Alans vader, na­melijk “De Arend”, vooral omdat er in de zitkamer een wandkleed hangt met een jachttafereel van een adelaar die zich op een vluchtend hertje stort. Dit slachtoffer waarmee Alan zich instinctief associeert, roept een paral­lel op met hemzelf wanneer hij tijdens zijn slaapwandelingen door de hallucinerende vader achtervolgd wordt. “Er was geen warm nest on­der zijn vleugels te vinden (…) Jullie waren nog altijd bang voor zijn sna­vel en klauwen” (39) zegt hij verder tegen zichzelf.

Alan is als kind ook steeds geboeid door de “garoeda”, de arend, die op de lucht­postbrieven uit Indonesië gedrukt staat en die iets van de myste­rieuze wereld van de vader en de grootmoeder oproept. Aan het eind van het verhaal zit hij in een toestel van de Garuda, de Indonesische lucht­vaart­maatschappij dat zich van “Arends moederland vandaan beweegt en op weg is naar zijn vaderland” (174). Op dat moment heeft Alan zijn ont­nuchterende zoektocht door Indonesië achter de rug, al zijn de familie­geheimen niet opgelost. Hij zit als het ware binnen in een vogel en is zijn angsten nauwelijks de baas. Zoals de titel van dit finale hoofd­stuk aangeeft blijft hij “in de lucht” hangen, onzeker.

De roman Vogels rond een vrouw mag een zoektocht naar de vader en de ge­heim­zinnige grootmoeder zijn, uiteindelijk is het ook een zoektocht van de verteller naar zichzelf en zijn eigen identiteit. Alan probeert zich­zelf te vinden tussen diverse generaties en familievertakkingen die uit ver uit­een liggende landen en culturen afkomstig zijn. Hij ervaart het dilem­ma van iemand die nergens thuis is. Niet voor niets is zijn familienaam Noland. Al vergeet hij zijn Indo-schap niet en beleeft hij Indonesië tijde­lijk als een soort “thuiskomst”, toch beseft hij hoe Nederlands hij is, hoe vreemd voor de lokale mensen die hem vragen waarom hij in Nederland en niet op Java woont. Deze cultuurschok is een belangrijke ervaring in het gevoelsleven van de verteller. Hij weerspiegelt de ervaring van de hui­dige generatie Indo-schrijvers in het algemeen die nog gecon­di­tio­neerd is door de mythe van de ouders. [viii]

Centraal in deze roman is dus ook het vreemdelingbegrip dat Birney op treffende wijze wist te suggereren, het niet-behoren tot de ene of de andere groep. Door het asociaal gedrag van zijn vader is Alan vervreemd van eigen familie en achtergrond. Zijn Nederlandse landgenoten laten hem na de Molukse treinoverval ook een ongewenst element in eigen land voelen. In Indonesië is hij evenmin echt thuis en loopt hij trouwens rond met angst voor wraakmaatregelen van ex-guerillastrijders. Alan is inderdaad zozeer geconditioneerd door zijn vaders verhalen over zijn “vijan­den” dat diens angst voor wraaklustigen zich op hem heeft overgeplaatst. Zoals zijn vader is hij slachtoffer van zijn illusies die een schimmenspel zijn. Het wayangspel en de wayangpoppen uit het hoofdstuk “Gunung Kawi” zijn in deze context een belangrijke metafoor in de roman. [ix] Op een avond na een wayangvertoning die hij bijgewoond heeft, wordt hij aan­ge­spro­ken door een geheimzinnige figuur die uit een steegje tevoorschijn komt en die hij eerst aanziet voor een potentiële moordenaar. Het blijkt echter iemand te zijn die illegaal een geweer wil verkopen om op apen te jagen. In Yogyakarta koopt Alan twee wayangpoppen waarvan hij er een aan zijn vader wil geven. Van een familielid verneemt hij dat ze Rama en Krishna voorstellen, een zoon die de reïncarnatie van zijn vader is, een vingerwijzing naar het feit dat Alan niet aan zijn noodlot kan ontsnappen.

Arend, Alans vader, was ook voortdurend op zoek naar schimmen van het kwade dat hij meende te moeten uitroeien. Hij is zelf een soort wayang­vertoner van zijn eigen geschiedenis in de Hollandse huiskamer: “’s Avonds na televisie ontstak hij als een dalang, een wayangvertoner, de lamp op zijn bureau om vanuit zijn Indisch jongenshart, harkend in de puinhopen achter zich te verhalen hoe hij had geleden” (39).

Alan kan zich niet losmaken uit die boze kring van schimmen. Zo wordt hij zelf de verpersoonlijkte vrees van zijn vader wanneer hij Indonesië bezoekt, bang dat men hem als de zoon van de verraderlijke guerillahater zal herkennen. Zoals zijn vader is hij ook slachtoffer van zijn angst voor schimmen, voor de spookachtige stille kracht die op wraak belust is.

3. Het vijandig heiligdom

Ook in zijn volgende roman komt de hoodfiguur tot de conclusie dat hij zich niet uit de macht van de nu verdwenen vader kan losmaken. Birney’s tweede Indo-roman, getiteld De onschuld van een vis (1995), ver­toont inderdaad bepaalde overeenkomsten met Vogels rond een vrouw. Het hoofd-personage, in dit geval Edu(ard), is ook een in Nederland op­ge­groei­de Indo afkomstig uit een gezin met een asociale, tirannieke vader die een onverwerkt oorlogsverleden op Java heeft gehad. Het gezin is ook uiteengevallen, maar de vader, “een zogenoemde kampong-Indo”, is op het moment dat het verhaal begint spoorloos verdwenen, waar­schijn­lijk dood. [x] In opdracht van zijn moeder komt Edu de benedenflat waar zijn vader zich gevestigd had, leegmaken. De externe vertelinstantie focaliseert ook weer de fijngevoelige zoon, die vroeger als kind getrauma­tiseerd was door de vader en soms slaapwandelde.

In tegenstelling tot de vorige roman is de hoofdhandeling van het vertelheden hier niet over een groot aantal jaren uitgestrekt, maar slechts over een paar dagen, alhoewel terugverwezen wordt naar momenten die ver in het verleden liggen. Het verhaal speelt zich in de heel beperkte ruimte van de flat af, maar wordt wel bij tijden uitgebreid naar andere plaatsen waarover Edu zit na te denken en waar het vroegere gezin of bepaalde personen daaruit ooit gewoond hebben of geweest zijn.

Van goena-goena of spookachtige elementen die Vogels rond een vrouw zo typeerden is hier geen sprake. De onschuld van een vis is een kil relaas over de meedogenloze poging van de zoon om de leefruimte van de para­noïde verdwenen vader te elimineren en zodoende de vader tot in zijn ziel aan te tasten. Geen verkwikkende leesstof maar een goed verteld en geconstrueerd verhaal waarin retrospectie een belangrijk struc­tu­re­rend component is. De bedoeling van die veelvuldige terugblikken is om de lezer te informeren over het vroegere familieleven van Edu, zijn broer Joshua, zijn zuster Ella en hun ouders. In die terugblikken is de zeer autoritaire vader de levende aanwezige, terwijl hij in het vertelheden waarin Edu de flat laat leeghalen, de permanent afwezige is, dat wil zeg­gen lichamelijk afwezig. In de perceptie van Edu huist zijn geest nog wel in de dingen die hij achtergelaten heeft: een groot portret van hem in “Chinees vechtkostuum” (46) boven zijn bed bijvoorbeeld, zijn scooter, de weinige meubels en boeken en vooral het aquarium met een schuchtere meerval, een rivierroofvis. Dat de vader alleen maar negatieve connotaties bij Edu oproept blijkt duidelijk uit de attributieven die hij aan hem toekent: “beul” (38, 48); “dictator” (49); “geschifte despoot” (62); “machtige vijand” (79). Voor de moeder was hij volgens Edu haar “verkrachter, haar cipier, vampier” (82), etcetera. Zijn boosaardige gedrag is een gevolg van zijn verleden als gevangenbewaarder en martelaar van land­­ge­­no­ten in “de oude kolonie” (84). [xi] Sadisme en ver­vol­gings­waan­zin hadden zijn vermogen tot normale menselijke relaties verwoest. Hij bleef zich omringd voelen door de oude vijanden die op wraak zinden op hun beul, zodat zijn persoonlijke ruimte een “vijandig heiligdom” (22) of een sadistisch universum werd.

Het enige levende element dat Edu in de verlaten flat aantreft is de meerval, de duivelvis in het verwaarloosde aquarium. Deze schuchtere een­zame vis waarop Edu steeds zijn aandacht richt – min of meer zoals de vogels in de vorige roman – wordt een dominant symbool in deze roman. De vis is inderdaad het laatste teken van leven van Edu’s vader. Edu ziet hem als “de duivelse bewaker van een burcht” (122) of als “zo “n monster, zo “n bijna mens” (144). Overdag is hij meestal onzichtbaar omdat hij zich achter waterplanten in het aquarium verstopt, tenzij hij op­ge­jaagd wordt. “s Nachts daarentegen laat hij zich in het kunstmatige licht van de lichtkap zien en dwaalt hij rond zoals de vader die op zoek was naar zijn slachtoffers.

De grote ironie van deze situatie is dat de vis ook een andere in­ter­pre­ta­tie toelaat. Hij is niet alleen een symbool van de eenzaamheid van de ver­dwe­nen vader, maar ook van Edu zelf die op zijn eentje bezig is de we­reld van de vader te vernietigen. In nog een ander opzicht is er een paral­lel tussen Edu en de vis: “Zwemmen in zo “n bak zou iets van slaap­wan­delen weg kunnen hebben” (107), zegt Edu op een bepaald moment. Als de vis slaapwandelt is hij ook metafoor van Edu die zoals de vis gevangene in eigen huis was. Het identificatieproces loopt door tot de laatste bladzijde van deze roman waar Edu zich niet kan losmaken van de duivelvis “slaappwandelende in zijn gevangenschap” (191). Zoals de vis de gevangene was van zijn eigenaar, slaagt Edu er niet in zich te bevrijden van zijn vader, de vroegere gevangenbewaarder. Edu blijft zijn vaders gevangene al is hij dood of verdwenen. Vanuit het portret boven zijn bed blijft de vader de bijna leeggehaalde woning vullen “met de zwaarte van zijn bevroren adem” (191). Edu’s poging om hem te vernietigen door de resterende dingen die hem nog aan zijn vader herin­ne­ren te verkopen of weg te geven, mislukt. Hij schuilt niet in de dingen, zijn geest is onaantastbaar. Om de geest van zijn vader tot in het diepst te raken had Edu ook diens prostituee Wanja laten komen, maar ook die ont­moe­ting loopt falikant af. De gevangenbewaarder laat zijn slachtoffers niet los. De last van het verleden is niet af te leggen en Edu is gedoemd om het kind in zich “voort te moeten voelen leven” (191).

De parallel tussen Edu en de vlieg die symbool is van zijn eigen mach­te­loosheid ten opzichte van de vader valt op. Edu maakt de lastige vlieg in zijn vaders flat dood door een nat washandje naar hem te smijten juist op een moment wanneer de vlieg op het muurportret van Edu’s vader zit. Natuurlijk schept deze situatie een nogal expliciete paral­lel met het verleden toen de vader een nat washandje naar Edu’s gezicht gooi­de wanneer hij hem betrapte tijdens het slaapwandelen. Edu geeft de vlieg aan de vis in het aquarium, een poging tot wraak op de vader maar ook een teken van zijn eigen machteloosheid.

Rob van Erkelens [xii] noemde De onschuld van een vis terecht een “vrij traag boek”. Er komen inderdaad weinig gebeurtenissen en dialogen in voor. Het verhaal wordt eerder gedragen door de innerlijke monologen, herinneringen en gedachten van Edu waardoor de handeling dus miniem en bijna helemaal naar een intern vlak verschoven is. Toch heerst er een permanente hoogspanning die deze roman boeiend maakt en die tot een hoog­tepunt gedreven wordt door de driehoeksverhouding van Edu, Wanja (de prostituee) en de vis. Wanja slaagt er niet in om haar contact met hem helemaal tot een puur lichamelijke ervaring te verlagen. Edu’s aandacht blijft afgeleid werden door de vis die hem zoals zijn vader onverbiddelijk in zijn greep vasthoudt. Hij blijft de meedogenloze ge­vangen­bewaarder.

Het is duidelijk dat Birney’s eerste twee Indo-romans queesten zijn, zoektochten van Edu naar de vader of naar de wortels van zijn eigen bestaan die achter een reeks objecten schuil gaan. Uiteindelijk zijn het ook zoektochten naar geborgenheid en menselijke warmte. Alan in Vogels rond een vrouw en Edu in De onschuld van een vis zijn emotioneel en als persoon sterk aan elkaar verwant. Ze hebben behoefte aan veiligheid en aan een zinvolle relatie met de vader die hen verstoot of al verstoten heeft. De vader-zoon relatie schijnt een veel belangrijker rol te spelen dan die van de moeder ten opzichte van de zoon. De verhouding met de moe­der wordt wel prominent in Het verloren lied (2000), Birney’s derde Indo-roman.

4. Alles waar je naar verlangt

Volgens eigen getuigenis had Birney niet het plan opgevat om met deze roman het derde deel van een trilogie te schrijven. Toch is er reden om aan te nemen dat we hier te maken hebben met een derde deel van een soort Indo-cyclus waarin motieven voorkomen die overeenstemmen met die van de andere twee behandelde romans. [xiii] Opnieuw komt de Indo-vader en dus de Indo-zoon voor hoewel laatstgenoemde nu blank is en eerstgenoemde niet de geestelijk geteisterde van de andere romans; opnieuw de blanke moeder (Helga Grün) die ditmaal van Duitse af­komst is; opnieuw het uit elkaar vallende gezin wat ertoe leidt dat de zoon eerst bij de stief-grootmoeder belandt en daarna in diverse kinder­te­hui­zen tot hij zijn eigen pad in het leven kan kiezen.

Het valt op dat Birney kiest voor muzikale terminologie in een aantal hoofstuktitels. Hoofdstukken een, drie, vijf en negen krijgen in hun titels termen mee als “Intro”; “Interlude”; “Intermezzo”; “Coda”. Esther Wils schrijft in dit verband terecht dat Birney zijn roman beheerst ge­com­po­neerd heeft “met terugkerende thema’s en variaties, crescendo’s en diminuendo’s, met een volgehouden spanning”. [xiv] De bewuste betiteling – en natuurlijk ook die van de roman zelf – wil al een aanduiding zijn van het feit dat muziek een centraal motief in deze roman vormt. Het Birney-thema van de zoektocht naar het verleden neemt in deze roman de vorm aan van een zoektocht naar het verloren lied dat Michael Lange­nacht, vanuit wiens standpunt het hele verhaal verteld wordt, op een avond op de radio gehoord had toen hij als kind in Den Haag bij zijn groot­ouders logeerde. Zijn grootvader had de jonge Michael bewust ge­maakt van de wonderen van muziek en de geheimen van de radio: “De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het “s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek” (8). Daar hoort hij ook flarden van het lied dat hem zijn verdere leven zal fascine­ren en dat hij blijft zoeken, wellicht omdat het iets vertegen­woor­digt van de warme, veilige wereld van zijn grootvaders verhalen en een sfeer oproept die verloren is gegaan sedert de grootvader voor goed ver­trok­ken is naar Indonesië. Laatstgenoemde wist wel dat het daar “niet meer was als toen” (8) maar die koloniale wereld is voor hem ook een soort verloren lied dat hem blijft achtervolgen en waarvan hij zich niet kan losmaken.

De grootvader was het ook die Michael aangespoord had piano te gaan spelen want “als muzikant ben je nooit alleen, zul je nooit alleen zijn later” (8). Muziek is lot en noodlot in deze roman. De liefde voor mu­ziek vindt zijn oorsprong in de grootvader die de pianist van het “Trio Lange­nacht” in Soerabaja was. Tot deze band behoorde ook ene Quadrado, de bassist die na de verdwijning van de grootvader bij Michael’s grootmoeder is komen wonen. De suggestie is dat zij al vroe­ger een geheime verhouding hadden. Grootvader Langenacht is het die Michaels muziektalenten wakker maakt zodat hij later piano, viool en mond­harmonika speelt. Michaels vader is ook muzikant en zijn moeder gaat op in het cabaret. De passie van de ouders is echter de oorzaak van de desintegratie van het gezin zodat Michael in kindertehuizen opgroeit. Daar weet hij zich echter stand te houden met zijn muzikale talenten die bewondering opwekken bij de andere jongens vooral wanneer hij de bekende liedjes van die tijd (de jaren zestig) kan spelen. Zoals de radio is vooral de piano een troost voor de eenzaam opgroeiende jonge man.

De radio met zijn bijzondere aantrekkingskracht stimuleert vooral zijn verlangen naar het verleden toen zijn bestaan nog goed en vol belofte was. Dit is de wereld van het verloren lied, van de geïdealiseerde groot­vader die het verlangen naar verre, onbestemde werelden in hem op­ge­wekt had. Het is ook het lied dat hem een gevoel van veiligheid en inner­lij­ke harmonie geeft: “Zolang de zangeres er was kon mij niets gebeuren, want ze omsloot alles om me heen, het huis, de straat, het park, de hele wereld, alles wat ver en tegelijk zo dichtbij was en zich niet liet grijpen in de zwaarte van de nacht” (17).

Het liedmotief loopt als een rode draad door de hele tekst. Op de meest onverwachte momenten meent hij het te horen, dikwijls in situaties die iets met slaap of slaapkamers te doen hebben. Op een bepaald ogenblik meent hij zijn slapende moeder enkele noten uit het lied te horen zingen (62). Dat is ook het geval met zijn vriend Rico (178) die het tot Michaels grote verbazing in zijn slaap ligt te neuriën. Het lied vertegenwoordigt zijn “diepste zwakke plek” (179) en het stimuleert ook zijn passie voor muziek, het enige element dat zijn bestaan in de kinder­te­hui­zen zinvol maakt en hem in staat stelt zijn eenzaamheid te over­win­nen. De wereld van muziek is een toevluchtsoord, een concretisering van zijn ontsnappingsdrang.

Lied en erotische fantasie worden soms ook in verband met elkaar gebracht in deze tekst. Het lied is even onvindbaar als het idyllische meisje dat hem op een zomerkamp eens een rode strik als pand had ge­ge­ven. Beiden staan voor “de onuitgesproken belofte van het leven, dat alles waar je naar verlangt ooit ingelost zal worden” (275).

Ook de radio waar zijn grootvader hem naar heeft leren luisteren blijft een belangrijk element in het verhaal. De radio is vanzelfsprekend een middel om het verloren lied te vinden, maar het is ook een middel om bij het onbereikbare uit te komen en het vreemde en verre dichtbij te brengen. De radio maakt zijn ruimteperspectief open.

De droomwereld en de harde buitenwereld contrasteren sterk in de be­leving van de opgroeiende Michael. Van zijn grootmoeder verneemt hij dat de door hem geïdealiseerde grootvader “een smeerlap” was en de bij­naam “Soerabaja Johnny” (57) had, een levensgenieter en vrouwen­lo­per was die bij een vrouw in de kampong een kind had verwekt, namelijk Michaels vader die meegesmokkeld werd op de boot naar Nederland. [xv] Deze Indo-vader die alleen maar Maleis met zijn vrienden praat en naar krontjong-muziek met hen luistert in zijn “jazzhol” (42) thuis, maakt Michael meer bewust van zijn eigen Indo-schap zodat hij in de diverse kindertehuizen bij voorkeur vriendschap sluit met andere Indo’s als Jantje Simon en Alan en Philip Noland.

Toch beschouwt zijn vader het feit dat zijn zoon blank is als “een zegen in dit rot-land” (74) hetgeen verder bevestigd wordt door zijn moeder: “en je bent gelukkig geen Indo, zoals je vader, die het hier in Holland moeilijk heeft” (138). Voor zijn Nederlandse grootmoeder is Indië “een vies woord” (38) of “dat smerige tropische land” (57) dat haar man die altijd “een Indische lucht” (34) om zich heen had, van haar weggelokt heeft. Ze koestert hetzelfde anti-Indische vooroordeel als Philip Nolands Nederlandse moeder in Vogels rond een vrouw die het altijd over “daar ginder” heeft en de pakjes die uit Indonesië aankomen achterdochtig weggooit.

De vaderfiguur is minder dominant in Het verloren lied dan in de twee andere romans. Van diens paranoia heeft Birney nu ook afgezien. Zoals de grootvader is hij wel een rokkenjager die onder meer een verhouding heeft met Wanda, Michaels vioollerares, maar van een Indisch oorlogs­ver­leden dat hem onstabiel maakt is hier geen sprake. In tegenstelling met de vorige romans is de moeder nu onstabieler, steeds weg van haar gezin, in Duitsland waar ze als cabaret artieste optreedt.

Het wordt duidelijk dat Alfred Birney in zijn werk zijn eigen soort tempo doeloe schept in de vorm van een gemis, een romantisch ver­lan­gen naar het onbereikbare, naar harmonie en identiteit. Recensent Jan-Hendrik Bakker heeft het terecht over “de door-en-door ro­man­ti­sche toon” [xvi] van dit boek die ook bekend is van zijn andere romans. Hij wijst ver­der op Birney’s “verstilde kwijnen” en een “oud, haast 19de-eeuws besef” dat het leven iets is wat ons overkomt en eigenlijk voor een ander bedoeld is. Wellicht is dit de reden waarom Birney nog nooit naar het grote publiek is doorgebroken.

5. Verdwaald tussen twee werelden

Birney’s Indo-romans leveren een zeer waardevolle bijdrage tot de Indisch-Nederlandse literatuur. [xvii] Bepaalde thema’s en motieven in zijn werk treft men ook aan in de romans van de overige Indo-schrijvers, [xviii] maar die vult hij aan met andere die weer typisch zijn van hem alleen. Wat dit laatste betreft kan men vooral denken aan Birney’s neiging om een hoofdfiguur te scheppen die hij als gevolg van interne spanning en verdeeldheid in het gezin van een Indo-vader en een blanke moeder laat terugvallen op zichzelf. Er is bij hem niet alleen de spanning met de racistisch bevooroordeelde buitenwereld, maar ook binnen de familie. Die thematiek geeft ook aanleiding tot een sterk romantisch-me­lancho­li­sche drang bij zijn hoofdfiguur die tot een vlucht in de eigen ver­beel­dings­wereld leidt, vooral dan in Het verloren lied.

Deze neiging laat hij ge­paard gaan met een bijna deterministisch levensgevoel dat de mens zijn eigen gevangene of slachtoffer is, zich moeilijk kan losmaken uit het net­werk van het kwaad, vooral als dit net gespannen wordt door mensen van eigen bloed. Permanent afwezige of niet-optredende figuren zoals de grootmoeder Sie Swan Nio in Vogels rond een vrouw, Edu’s vader in De onschuld van een vis, grootvader Willem in Het verloren lied zijn daarom even belangrijk als de aanwezige. Zijn hoofdpersonages kunnen zich moeilijk uit de macht- of invloedsfeer van die afwezigen losmaken: ze hebben een verlammend effect op hen en verhinderen hen zichzelf te worden. In Het verloren lied doet zich echter wel een kentering voor waar de afwezige grootvader stimulerend en creatief inwerkt op Michael en hem een levensdoel geeft.

Deze spanningsverhouding is wellicht ook de reden waarom het gevoelsleven van Birney’s hoofdfiguren een grotere klemtoon krijgt dan hun dadendrang. Ze zijn eerder denkers dan doeners, mensen die veel nadenken over het leven en hun interrelatie met anderen. Het verleden speelt ook steeds een belangrijker rol dan het heden en de toekomst. Ze zijn in feite ontheemd in het heden, op hun manier “dislocated”, steeds rusteloos verlangend naar het andere en onbereikbare. “Mijn boeken zijn steeds een zoektocht naar iets dat niet meer te vinden is” zegt hij in een interview met Jan-Hendrik Bakker. [xix]

Zo laat Birney in drie van zijn romans de eigenzinnige stem weerklinken van de Indo die zich thuis en toch vreemd voelt. Verdwaald tussen heden en verleden is hij op zoek naar een ondefinieerbaar eigenzinnig paradijs. Ergens zijn alle Indo-schrijvers verdwaald tussen twee werelden: het verbeelde koloniale tropische Indië en de mythe van hun ouders die sterk contrasteert met de huidige postkoloniale realiteit van Indonesië aan de ene kant en het Neder­land waarin ze opgegroeid zijn aan de andere.

Vanwege hun culturele hybriditeit leven ze in wat Bhabha (1994: 13) in een verwijzing naar de Kaapse kleurlingen, een “in between reality” noemt. Ze voelen zich weliswaar Nederlands maar dan zonder hun Indische herkomst te verloochenen. In het geval van Birney komt daar, in zijn jongste roman althans, nog het verlangen naar een persoonlijk romantisch utopia bij, een wereld die niet mocht zijn. Op zijn manier en op de maat van het verloren lied danst hij verder op een choreografie van gisteren.

Bibliografie

Ashcroft, Bill; Griffiths G.; Tiffin, H. 1994. The empire writes back. London: Routledge.

Ashcroft, Bill; Griffiths, G.; Tiffin, H. 1998. Key concepts in post-colonial studies. London: Routledge.

Bakker, Jan-Hendrik. 1991. Haagsche Courant, 6 april.

Bakker, Jan-Hendrik. 2000. Haagsche Courant, 1 april.

Bel, Jacqueline. 1999. Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Indische Letteren 14 (2) juni: 95-101.

Bhabha, Homi K. 1994. The location of culture. London / New York: Routledge.

Birney, Alfred. (red.). 1998. Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Amsterdam/Antwerpen: Contact.

Birney, Alfred. 1987. Tamara’s lunapark. Haarlem: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 1989. Bewegingen van heimwee. Amsterdam: In de Knipscheer

Birney, Alfred. 1991. Vogels rond een vrouw. Amsterdam: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 1995. De onschuld van een vis. Amsterdam: Contact.

Birney, Alfred. 1996. Sonatine voor zes vrouwen. Amsterdam: Contact.

Birney, Alfred. 2000. Het verloren lied. Haarlem: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 2001. You werd en rnael van Cyberney. Internetinkt van Alfred Birney, aangevuld met de top-1000 uit de Indische Bellettrie. Haarlem: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 2001.2 Zonder gezicht. In: Tiga Puluh Tahun Studi Belanda di Indonesia/Dertig jaar Studie Nederlands in Indonesië. Depok: Fakultas Sastra Universitas Indonesia, 209-226.

Bloem, Marion. 1983. Geen gewoon Indisch meisje. Haarlem: In de Knipscheer.

Boukema, H.J. 1992. Indisch-Nederlandse letterkunde. Neerlandica extra muros. 30 (1):1-19.

Cirlot, J. E. 1962. A dictionary of symbols. New York. Philosophical Library.

D’haen, Theo. (red.). 1990. Inleiding. In: Herinnering, herkomst, herschrijving. Koloniale en postkoloniale literaturen. Semaian 4. Leiden: Rijksuniversiteit, 1-17.

Maier, H.J.M. 1996. Indische Literatuur. Bezinningen op een definitie. In: Weer-werk. Schrijven en terugschrijven in koloniale en post-koloniale literaturen. Semaian 15. Leiden: Rijksuniversiteit, 14-30.

Melker, Jessica; Van der Meij, M. (reds.). 1999. Portrettengalerij Tweede Generatie Indische auteurs. Vakgroep Historische Nederlandse Letterkunde. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam (niet gepubliceerd).

Niemöller, Joost. 1990. Ik ben met tien romans tegelijk bezig. In gesprek met Alfred Birney. Bzzletin 19 (169) oktober: 75-80.

Nieuwenhuys, Rob; Paasman, B; Van Zonneveld, P. 1990. Oost-Indisch Magazijn. De geschiedenis van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Amsterdam: Bulkboek, 2de druk.

Paasman, Bert. 1999. Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur. Indische Letteren 14 (2) juni: 66-72.

Praamstra, Olf. 1997. De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus. Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 113 (3): 257-274.

Praamstra, Olf. 1999. De ergernis van Couperus, de Nederlands-Indische letterkunde en de persoonlijke ervaring. Indische Letteren 14 (2): 59-65.

Van Dis, Adriaan. 1983. Nathan Sid. Amsterdam: Meulenhoff.

Van Dis, Adriaan. 1994. Indische duinen. Amsterdam: Meulenhoff.

Van Erkelen, Rob. 1995. De groene Amsterdammer, 28 juni.

Van Zonneveld, P. 1995. Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Vermeulen, Danielle. 1999. Alfred Birney draagt zijn vader ten grave. In: Portrettengalerij Tweede Generatie Indische auteurs. Vakgroep Historische Nederlandse letterkunde. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. 155-169 (niet gepubliceerd).

Vermeulen, Frank. 1988. De Indische mythe. Indische Letteren 3(4): 219-234.

Wils, Esther. Pasarkrant. Maart 2000.

Yati Suhardi, Yusuf, M.; Groeneboer, K. (reds.). 2001. Tiga Puluh Tahun Studi Belanda di Indonesia / Dertig jaar Studie Nederlands in Indonesië. Depok: Fakultas Sastra Universitas Indonesia.

Noten

——————————————————————————–

[i] Wie met het oog op al dat werk meer over Birney wil weten vindt niets in bekende Nederlandse literatuurgeschiedenissen of het Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur na 1945, waar­schijn­lijk omdat hij pas in 1987 op het literaire podium in Nederland is ver­schenen. De enige bronnen van informatie over Birney en zijn werk zijn op dit moment van electronische aard, namelijk zijn eigen web­site en het jongste CD-Rombestand van LiteRom, waarin een groot aantal recensies van zijn werk uit Nederlandse kranten is opgenomen. Een meer overzichtelijke studie over hem en zijn werk zal men er echter niet aantreffen. Birney was in 1991 recipiënt van de vijfjaarlijkse Paagman Literatuurprijs. De in dit artikel voor­ko­men­de biografische gegevens over Alfred Birney en zijn vader zijn hoof­dzakelijk afkomstig van A. Birney zelf via uitgebreide e-mail correspondentie. Zie ook Alfred Birney (2001), evenals Joost Niemöller (1990) en Danielle Vermeulen (1999).

[ii] [ii] Hun voorganger was Jan Boon (1911-1974) die van de schrij­vers­na­men Tjalie Robinson en Vincent Mahieu gebruik maakte. Over de Twee­de Generatie Indo-literatuur zie onder meer: Rob Nieuwen­huys; Bert Paasman; Peter van Zonneveld, Oost-Indisch Magazijn (1990); Frank Vermeulen, “De Indische mythe” (1988); Alfred Birney (red.), Oost-Indische inkt (1998) Peter van Zonneveld, Album van Insulinde (1995) Jessica Melker en Mariska van der Meij (reds.), Portrettengalerij Tweede Generatie Indische auteurs (1999).

[iii] Militaire acties gevoerd door het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en het Nederlandse leger tegen de Indonesische vrijheidsbeweging in 1947 en 1948.

[iv] Vgl. Key concepts in post-colonial studies: “The descendants of the dia­spo­ric movements generated by colonialism have developed their own distinctive cultures which both preserve and often extend and develop their original cultures” (Ashcroft e.a. 1998: 70).

[v] Zie onder meer J. Goedegebuure, HP/De Tijd, 17 mei 1991; F. de Rover, Vrij Nederland, 6 juli 1991; J. Diepstraten, De Stem, 12 juli 1991.

[vi] De Noland-figuur komt ook in andere romans van Birney voor, namelijk Tamara’s lunapark, Bewegingen van heimwee en Het verloren lied.

[vii] Nederlands-Maleise mengtaal die door Indo’s gebruikt wordt.

[viii] Zie Vermeulen 1988.

[ix] Een wayangspel is een traditioneel Indonesisch schimmenspel waar­in steeds botsingen tussen goed en kwaad voorgesteld worden.

[x] Een “kampong-Indo” was een Indo die niet door de Europese vader er­kend werd en die destijds in Nederlands-Indië en later ook in Nederland in de jaren vijftig en zestig als een schande werd ervaren.

[xi] Soortgelijke onstabiele vaderfiguren en huistirannen, meestal ge­teis­terd door een verleden in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger of Japanse gevangenschap, treft men ook aan in diverse ro­mans van Adriaan van Dis en Frans Lopulalan. Birney’s vaderfiguur in De onschuld van een vis is echter de meest onmenselijke van alle­maal.

[xii] De Groene Amsterdammer, 28 juni 1995.

[xiii] De gedachte aan een Indo-cyclus uitte Birney in een interview met Joost Niemöller (1990: 81): “Mijn levenswerk zal denk ik een romancyclus zijn over een Indische familie in Nederland. Daarbij wil ik van halverwege de vorige eeuw tot het einde van deze eeuw gaan. Ik hou geen belpaalde volgorde aan. De Indische romans zijn uiteindelijk belangrijker dan de tehuisromans”.

[xiv] Pasarkrant, maart 2000.

[xv] Edu’s vader in De onschuld van een vis is ook een “kampong-Indo”.

[xvi] Haagsche Courant, 1 april 2000.

[xvii] De draagwijdte van de term “Indisch-Nederlandse literatuur” en wat wel of niet tot het corpus behoort is omstreden. Volgens Rob Nieuwenhuys, Bert Paasman en Peter van Zonneveld (1990), H.J. Boukema (1992) en Peter van Zonneveld (1995) behoren schrijvers van de “tweede generatie” wel bij die letterkunde. Olf Praamstra (1997) aan de andere kant wil de omvang van het corpus inperken door het criterium van persoonlijke ervaring van de kolonie toe te pas­sen. Dit sluit de “tweede generatie” dus uit. Zie ook: Theo d’Haen (1990) en H.J.M. Maier (1996). De discussie werd in juni 1999 voortgezet in het tijdschrift Indische Letteren, 14(2) dat de neerslag bevat van een lezingenmiddag over het “eigen gebied” van de Indische letteren. Praamstra houdt zich bij zijn standpunt. Peter van Zonneveld, Siegfried Huigen, Bert Paasman en Jaqueline Bel pleiten daarentegen voor een meer inclusief corpus dat de postkoloniale literatuur en dus ook die van de “tweede” en zelfs “derde generatie” (?) (Van Zonneveld) insluit.

[xviii] Zie Vermeulen 1988.

[xix] Haagsche Courant, 6 april 1991.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Recensies

Duikvlucht naar de ziel van de Indo

lalu ada burung novel alfred birney Deze roman kan men niet lezen door hem in een keer in te slikken. Deze roman moet geleeskauwd worden, en kan daarna pas ingeslikt worden. Dit komt door de vertelstijl van de schrijver die meer lyrisch is dan naratief-chronologisch, meer poëtisch dan prozaïsch. Het verhaal wordt prismatisch verteld in een vervlechting van verleden, heden en toekomst. Alles cirkelt rond de ziel van een Chinese vrouw die Indo-kinderen heeft gebaard. Ofschoon deze roman van Alfred Birney, Lalu Ada Burung (Galang Press, 2002), vertaald door Widjajanti Dharmowijono uit het Nederlandse Vogels rond een Vrouw (1991, 2002) slechts 263 pagina’s telt in pocketformaat, bevat hij grote menselijke problemen: indoschap, mestiezen, vermenging van bloed tussen rassen. Er is een psychologische weifeling, onzekerheid over de culturele bodem, een vogelmens tussen hemel en aarde. Waarom moet een mens leven in een collectieve tijd en ruimte?

Het verhaal gaat over een Indische jongeman, 27 jaar oud, Alan Noland, die van kleinsaf geplaagd wordt door Oosterse (Indonesische) kunstvoorwerpen, het paranoïde gedrag van zijn vader, en bovennatuurlijke ervaringen. Alan Noland is een zoon van Arend Noland (Si Elang), een Indo uit de verbintenis van David Nolan en Sie Swan Nio. David zelf is ook een Indo, geboren uit het huwelijk van een Engelsman, Alan O’ Nolan met Rabina, een Madoerees meisje. Aldus vloeit in Alans aderen een mengeling van Iers, Madoerees en Chinees bloed. Alan en zijn tweelingbroer, Philip, groeien op in een angstaanjagende, bedreigende gezinssfeer, vol met allerlei magische voorwerpen uit Nederlands-Indië. Dat is allemaal het gevolg van de avonturen van zijn vader die Nederlands marinier is geweest, ooit in Surabaya gewoond heeft, en in 1950 verkoos Indonesia en zijn moeder, broers en zusters te verlaten, na de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesia door Nederland. Si Elang is de enige uit de Indische familie die in Nederland ging wonen. Zijn verblijf in Nederland beschouwt hij eigenlijk als een soort van tussenstation om naar California te kunnen emigreren.

Uit het gedrag van zijn vader concludeert Alan dat de wortel van dat alles zijn grootmoeder is, die Cantonees bloed heeft. Het is deze oude vrouw die de gedachten van Si Elang van ver bestuurt, met gebruik van foto’s, een schilderij en vazen, en brieven die in het Maleis zijn geschreven door de familie die nog in Oost-Java woont. Door het gedrag van zijn vader die vaak last heeft van hallucinaire aanvallen over zijn strijd tegen de Japanners en de politionele acties, vraagt zijn moeder, Anneke, een scheiding aan. Si Elang trouwt nog tweemaal, maar beide huwelijken eindigen met een echtscheiding.

Het leven van Alan wordt beheerst door de oosters-mysterieuze kant van zijn gemengde bloed. Dat bereikt zijn hoogtepunt als de Nederlanders zelf de aanwezigheid van de Indo’s een probleem vinden, ook die van de Molukkers die vaak onrust veroorzaken omdat de belofte van de Nederlandse regering om hen naar de Molukken te repatrieren, niet ingelost wordt. De Indo-groep behoort niet tot de witte Nederlandse groep, en worden vreemd gevonden door de oosterse eigenschappen die ze hebben meegekregen. Indo’s zijn niet zo geliefd, en worden gelijkgesteld met de Molukkers, door “orang-orang dungu sentimentil penuh dendam yang belum pernah membaca buku sejarah” (sentimentele, wraakzuchtige boerenkinkels die nog nooit een geschiedenisboek hadden opengeslagen).

In deze verwarring beleeft Alan een bovennatuurlijke gebeurtenis. Hij wordt door zijn Chinese grootmoeder bezocht in een halfwakende toestand, en ze streelt hem. Zijn vader overtuigt hem ervan dat de gebeurtenis hem de liefde toont die zijn grootmoeder voor Alan koestert. Daarom besluit hij op pelgrimstocht te gaan naar Java, naar de familie van zijn vader en het graf van zijn grootmoeder in Ungaran. De reis naar Java verandert Alans visie op de oorsprong van zijn Indisch-zijn. Hij maakt zijn grootmoeder geen verwijten meer, maar hij distantieert zich juist van zijn vader.

Altijd is er een trio: drie vazen, drie bloeden (Iers, Chinees, Indisch), drie generaties (grootmoeder, vader, zoon), drie spokende herinneringen (schilderij, vazen, oude foto’s), drie sociale groepen (Nederlands, Indo, Moluks). De herkomst van de drietallen is het dualistische, aan elkaar tegengestelde tweetal, nl. Nederlands (kolonisators) en Indonesia (gekoloniseerden), twee groepen van Indo’s (degenen die vrede hebben met hun oosterse eigenschappen, en degenen die erdoor onrustig worden), twee houdingen van de Indo (de zachte als Yin en de harde als Yang), twee woonplaatsen (in Nederland en Indonesia). De ontmoeting van deze twee tegengestelde zaken veroorzaakt een derde, nl. een mix van de twee. Een Nederlandse man ontmoet een Indonesische of peranakan-Chinese vrouw, als overheerser en overheerste (koloniale tijd). De twee rasgroepen die met elkaar in conflict zijn worden in een natuurlijke seksuele ontmoeting verenigd. Het resultaat is de Indo die niet erkend wordt op papier als behorende tot de groep van de vader (verbintenis in de status van njai), maar ook in de praktijk verdacht wordt door de autochtone bevolking. Dit is de kern van het probleem. Een gemengde verbintenis in de status van njai, toont de superioriteit van de kolonisator. Het resultaat van zo’n verbintenis wordt vanzelfsprekend in een minderwaardige positie gedrongen door de Nederlanders zelf.

Alan Noland is driekwart Nederlands en is grootgebracht volgens een Nederlands gedachtenpatroon. Maar het gedrag van zijn vader maakt dat het overige kwart hem achtervolgt. Waarom is zijn vader paranoïde? Omdat hij in Indonesia streed voor Wilhelmina, maar afgewezen wordt door degene die hij verdedigde. Daarom verkiest hij in Nederland te wonen. De kwetsende behandeling in het land en de gemeenschap die hij verdedigde maakt dat hij een zondebok zoekt. Dat zijn de strijders voor de Indonesische republiek die hem naar Nederland hebben verjaagd. Maar het deel dat hij haat is het bloed van zijn moeder en zijn broers en zusters. Dat gevoelsconflicht veroorzaakt paranoia. Aan de ene kant haat hij Indonesia, maar aan de andere kant houdt hij zielsveel van het deel dat hij haat: zijn voorouders.

Alan Noland daarentegen poogt juist het kwart in hem te begrijpen omdat hij afgewezen wordt door het driekwart. Hij ziet dat de Indo’s in Nederland beheerst worden door paranoia, terwijl ze in Indonesia normaal en okay zijn. De pelgrimstocht van Alan resulteert in de slotzin van de roman: “Ia akan mengunjungi ayahnya lagi. Sudah lama ia tak bertemu. Tapi meskipun sesungguhnya ia bergerak makin dekat kepadanya, perasaannya adalah bahwa ia justru perlahan-lahan makin menjauhinya” (Hij zal zijn vader weer eens op gaan zoeken. Hij heeft hem allang niet meer in levenden lijve gezien. Maar ook al raakt hij allengs dichterbij, toch heeft hij het gevoel alsof hij geleidelijk van hem vandaan vliegt.). Alan verkiest de geestelijke kant boven de fysieke kant. Zijn vader is een vergissing. Hij behoort tot Yang, hard en stijf. Alan leunt meer naar Yin, vrouwelijk en zacht.

Mij toont de roman hoezeer een mens groeit in lokaliteit. Daarmee bedoel ik de eenheid van ruimte en tijd. De ruimte is Indonesia en de tijd is de geschiedenis, genealogie, wortels. De tijd is zo te zien belangrijker. Een mens groeit uit culturele wortels die geschieden, geschiedenis worden. De wortel van Alans tijd, zijn genealogie, bevindt zich in drie lokaliteiten, het westen, Indonesia (Madoera) en China. Ofschoon hij eigenlijk reeds westerse wortels bezit (hij is geboren en getogen in Nederland), blijven zijn andere wortels hem achtervolgen, vooral zijn Chinees bloed. “Buat apa saya ke sana (Indonesia, pen). Negeri itu sama sekali tak menarik bagiku” (Wat moet ik daar? Het land trekt me helemaal niet.), zegt Alan. Dat is een afkapping van zijn Madoerese wortel, die hij heeft meegekregen van zijn Madoerese overgrootmoeder. Er is nog maar een spookwortel over, de Chinese (grootmoeder). Is het mogelijk dat hij zijn Chinese wortel opgraaft?

Deze roman herinnert de Indonesische lezers eraan hoe belangrijk het is wortels op te graven. Die wortels blijven in ons groeien. En wij zijn ons er niet van bewust. Wij proberen ze zelfs af te wijzen en ze weg te gooien. We blijven normaal (niet paranoïde) in Indonesia omdat wij onbewust deze wortels meenemen. De wortels kennen is ook de ruimte en tijd van onze groei kennen. “Ya, akhirnya sifat asli selalu muncul, ha, ha!” (‘Ja, uiteindelijk komt de ware aard toch altijd bovendrijven, ha ha!’) zegt Zus Maudi in deze roman.

Het is het verhaal van de Indo’s die gevangen zitten tussen twee wereldden, twee wortels, en uiteindelijk moeten beslissen welke wortel ze willen volgen, de Nederlandse of de Indonesische. De middenwereld is een gevaarlijke wereld. De wereld van de tjitjak, tussen vloer en dak. Maar waarom worden de Indo’s in Indonesia niet paranoïde, en in Nederland wel? Dat komt door het verschil tussen de westerse en Indonesische (oosterse) filosofie. De basis van de westerse cultuur is een dualistisch conflict dat moet opgelost worden met een winnaar, een machthebbende, die superieur is. In Indonesia moet het dualistische conflict opgelost worden in een “middenwereld”, een meng-entiteit van twee binaire opposities. De Indo’s zijn een verwezenlijking van een geïdealiseerde middenwereld. Hier worden zij geaccepteerd.


(Uit Pikiran Rakyat, Bandung, 17 oktober 2002, p. 23)
Jakob Sumardjo over Lalu Ada Burung, vertaling van Vogels rond een vrouw (vertaling: Widjajanti Dharmowijono)

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Recensies