Postkoloniaal naschrift

Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10

Vakantie in galgenland

alfred birney Het is weer lente als ik me niet vergis. Het weer valt tegen, automobilisten rijden chagrijnig door rood en besproeien en passant een rijtje passagiers onder een abri, er staan files voor de reisbureaus, websites van zonaanbieders gaan plat door te hoge bezoekersaantallen en het KNMI krijgt nog net geen bommeldingen binnen. Maar wat niet is, kan nog komen. Behalve de zon dan, laten we die maar even vergeten.
Of Chinezen op de weerkaart kijken voor ze een vakantie boeken naar Holland denk ik niet, aangezien de Chinees van een blanke huid houdt en wijselijk het zonlicht mijdt. Voor arabieren worden speciaal regenvakanties georganiseerd, dus die zitten in elk geval goed bij ons. Geen idee wat Chinezen hier zouden moeten komen zoeken, of ze bijvoorbeeld van Van Gogh houden, zoals de Japanners, met wie ze momenteel zo’n ruzie maken vanwege de verdraaiing van de geschiedenis in de Japanse schoolboeken, terwijl ze zelf momenteel de Tibetanen onder de zoden walsen terwijl Bush & Co toevallig de andere kant op kijken.
Maar daar wou ik het niet over hebben. Feit is dat het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen, kortweg het NBTC, een toename verwacht van Chinese toeristen. China is booming, snelwegen worden met een noodgang aangelegd, autofabrieken draaien op volle toeren en reeds nu al verveelt de Chinees zich zo, dat het vliegtuig naar Holland lonkt. Tulpen, rosse buurten, patat met mayo, weet ik het.
Chinezen zitten niet alleen in China en Taiwan maar ook in Singapore. Verleden jaar kwam er eentje naast me in het vliegtuig zitten toen ik van Jakarta via Singapore terug moest naar Amsterdam, pardon eh… Den Haag. Nou, die man bekijkt me zo’n beetje van opzij, ik bekijk hem zo’n beetje van opzij, hij mij weer, u weet wel hoe dat gaat, en toen vroeg hij me waar ik vandaan kwam.
‘Holland,’ zei ik.
‘Ah, Holland! Is het mooi in Holland? Ik wil graag eens met vakantie naar Holland. Hoe is het leven in Holland?’
Om een lang verhaal kort te maken: ik vertelde hem van alles over Holland, dus ook over het geweld op straat, zelfs jegens toeristen, die in Amsterdam worden bestolen alsof het om seriewerk gaat.
‘O, dus bij jullie worden dagelijks een hoop criminelen opgehangen zeker? Bij ons maar drie per dag!’
‘Welnee, ze krijgen hooguit een taakstraf.’
‘Een taakstraf? Wat is een taakstraf?’
‘O, dan moeten ze 40 uur bussen wassen of zo.’
‘Wat zegt u? Bussen wassen? Niet de galg? Wáárom niet de galg?’
Ik heb het die man niet kunnen uitleggen. Daarvoor duurde de vlucht te kort. Toen de man uitstapte zei hij dat hij toch maar liever vakantie ging vieren in een land waar de doodstraf nog bestaat. Amerika dus. Dit is geen hint voor de EU overigens.

Haagsche Courant, vrijdag 15 april 2005

Straks nóg sneller slikken!

alfred birney Een klein miljoen Nederlanders haalde verleden jaar kalmeringsmiddelen bij de apotheek en driekwart miljoen Nederlanders scoorde er slaappillen. Valt nogal mee in een tijd waarin steekpartijen niet van de lucht zijn. Als de onderzoekers mij om een schatting hadden gevraagd zou ik met de natte vinger toch op de helft van onze bevolking zijn gekomen. Wat een rare zin trouwens, ha ha, het lijkt wel alsof ik onder de valium zit! Ja hey, je kunt erg nerveus worden van een deadline, hoor. Ja echt! Deadline… Het woord al. Alsof ze je kop eraf komen hakken wanneer je niet op tijd je column inlevert. Is niet zo hoor, mijn redacteur is errug lief. En ja: deadlines zijn duidelijk. Zoveel anders dan de sluipmoorden die plaatsvinden binnen, zeg, een concern dat in het kader van de zogeheten mondialisering er de gewoonte van maakt om bij meer winst meer personeel te ontslaan in plaats van aan te trekken. Met angst en beven zie je de nieuwe jaarcijfers tegemoet, je telt de collega’s die voor jouw tijd de laan uit werden gestuurd en dan neem je maar weer wat librium, wat net effe lekkerder voelt dan valium. Of je rookt een lekkere joint zodra je thuis komt. Werkt ook. Maar niet als je honderdjarige buurvrouw bij de pinautomaat overhoop wordt gestoken, want dan krijg je zo’n zin om te gaan schreeuwen dat je maar meteen een hele strip benzo-zooi tot je neemt, anders komen ze je in no time plat spuiten. In Frankrijk slikken ze overigens viermaal zo veel sufmakers als hier bij ons, waarschijnlijk omdat de directie van de Tour de France gaarne heeft dat er dit jaar in een nog hoger gemiddeld tempo wordt gejakkerd. Het dopingcontrolecircus zet zo de maffia van de farmaceutische industrie aan tot de ontwikkeling van nog betere pepjunk, waar veel aandelen in rondgaan. U gaat nu toch niet roepen dat wij toch niet allemaal wielrenners zijn, hè? Ik dacht eerlijk gezegd namelijk toch toevallig van helaas wel ja. Het moet allemaal maar sneller, sneller en sneller tegenwoordig. Het dagelijkse leven als de Tour. Snelle, schreeuwerige radio- en teevee-reclames. Nu nóg sneller internetten! Zó zet u nóg sneller een maaltijd op tafel! Vandaag besteld, mórgen in al in huis! Het gaat wel goed, maar het kan allemaal nóg sneller! Leer gitaarspelen in twee weken! Als u van Maastricht vertrekt, dan bent u nóg sneller op uw vakantiebestemming! Nóg sneller bruin met onze bruiningscapsules! Met de nieuwe Sprinterformule biedt NS haar klanten een snellere dienstverlening! UMTS is ruim zes keer sneller dan ISDN! Zo kunnen medewerkers elkaar nog sneller bellen! Wilt u snel geld kunnen overboeken naar het buitenland? Wilt u snel dood? Wilt u nog sneller dood? Als u het snelst dood wilt, wandel dan gewoon volgens de verkeersvoorschriften het zebrapad over. Succes verzekerd! Het leven is prachtig jachtig, vindt u niet? Hé lamstraal, schiet een beetje op joh! Is er al een middel in de handel dat zowel kalmerend als oppeppend werkt? Tjonge, wat duurt dat lang zeg.

Haagsche Courant, vrijdag 1 april 2005

Ik wil slaan!

alfred birney Mijn grootvader had een Odeon grammofoon met zo’n pontificale hoorn waaruit geluid kwam dat op muziek leek. Voor het beluisteren van een concert waren nodig een stapel bakelieten grammofoonplaten en een doos vol naalden, die nogal snel sleten. Ik geloof dat je dat ding ook nog met een slinger moest opwinden. Het beluisteren van een opera gaf dus een hoop soesa, reden waarom mijn grootvader de rotanstok naast de grammofoon had liggen. Waagde iemand het om door de krakende muziek heen te babbelen, dan kreeg ie een tik op de vingers en moest het hele ritueel van voren af aan beginnen. Soerabaja 1930, zoiets.

Dertig jaar later kruipt mijn vader met zijn Indische kornuiten rond een koffergrammofoon bij de kachel ergens in een Haagse portiekwoning. Ze draaien 45-toerenplaten van Los Indios Tabajaros and all that. De techniek schrijdt voort, er komt een platenwisselaar die met een onooglijk mechaniek de ene na de andere grammofoonplaat omlaag laat kwakken. Zelfs langspeelplaten kunnen een dergelijke behandeling ondergaan, zodat je heel lang door kunt gaan met dansen of kaarten.

In de jaren zeventig cultiveer ik met mijn vrienden het afspelen van grammofoonplaten. Vereist zijn een draaitafel met een los gekochte arm, een versterker en peperdure speakerboxen. Veel tijd gaat zitten in het afstoffen van de grammofoonplaten, het afregelen van het geluid en het urenlange gezanik over wat nou eigenlijk het allerbeste is voor je grammofoonplatenverzameling. Maar het beluisteren van muziek is tenminste nog een echte sociale aangelegenheid.

Dan gaat het mis. De muziekcassette doet zijn intrede. We zetten onze muziekcollecties over op gammele bandjes, zien onze tapedecks vastlopen, de muziek jankt als je de koppen niet vaak genoeg schoonmaakt en ga zo maar door. Ik blijf zo veel mogelijk grammofoonplaten draaien, maar met de intrede van de cd wordt het allemaal nog veel erger. De muziek doet pijn aan je oren, niets klinkt meer gezellig vals en grammofoonplaten verdwijnen uit de schappen van de muziekhandel. Iedereen koopt op cd wat ze al jaren op vinyl hebben staan, ik snap er helemaal niets van.

We zijn intussen weer enkele decennia verder. Mensen spenderen uren aan het overzetten van muziek-cd’s op pc’s. Lekker makkelijk, met afspeellijsten en zo. Mijn platenspeler, cassettedeck en versterkers lopen op hun laatste benen, dus ik doe maar mee. Maar wat een gedoe zeg. Voor het overzetten van je grammofoonplaten op je pc heb je extra apparatuur en software nodig plus tijd voor snelcursussen. Met muziekcassettes gaan het nog wel, maar je komt dan wel in een softwareoorlog terecht tussen allerlei bestandsformaten die het op de ene mediaplayer wel doen maar op de andere weer niet. MP3 is de hype, maar klinkt volgens mij net zo slecht als die toetergrammofoon uit mijn grootvaders tijd. Waar is de rotanstok? Ik wil slaan!

Haagsche Courant, vrijdag 18 maart 2005

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

De juforde

alfred birney Onze kleuters zijn in het nieuws. Wat zeg ik? Een hype zijn ze! Als eentje een ander aan de mouw trekt, noemt men dat agressie. Het recht van de sterkste heerst op het schoolplein! Tjonge, wat een nieuws zeg. Dit hebben wij echt nooit maar dan ook nooit geweten. Jarenlang hebben we moeten wachten op het onlangs gepresenteerde onderzoek naar agressie bij kleuters. Groot is de Faculteit Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht! De ene na de andere eye-opener rolt er uit, niet te bevatten allemaal, je zou die onderzoekers bijna voordragen voor de Nobelprijs. Zo weten ze te melden dat in bijna alle onderzochte klassen dominante daders te vinden zijn die al op zeer jonge leeftijd de zwakkere groepsgenoten eruit weten te pikken. En wat dacht u van het volgende verheven inzicht? ‘Kinderen die zich agressief opstellen jegens hun groepsgenoten worden zelf weer belaagd door andere dominante belagers. Ze zijn zowel dader als slachtoffer.’ Nou, wilt u nog meer briljants horen?

Horden journalisten spoeden zich naar juf a, b of c van school x, y of z om haar opdringerig, dominant en agressief de microfoon met die ene brandende vraag onder de neus te duwen: ‘Is het waar, juf?’

‘Ja,’ zegt de juf. ‘Er zit eigenlijk toch best wel een stukje van een kern van waarheid in. Maar ik wil niet dat het recht van de sterkste in mijn klas zegeviert.’

Dat lijkt mij tamelijk voor de hand liggend en ook wel handig, anders heb je geen leven als juf. Want die eeuwige knokpartijtjes op het schoolplein zijn niet van vandaag of gisteren, hè juf? Maar het heeft niet alleen te maken met het ‘bepalen van de pikorde’ hoor, zoals u dat zegt, juf. Er heerst ook nog zoiets als een kutorde onder de meisjes, uiteraard zoveel subtieler dan, zeg, de USA-orde in Irak om de boel maar even in macroperspectief te plaatsen. Ik heb in een grijs verleden ook heel hard moeten rennen om de knuisten van de sterkste jongen uit de klas niet alweer te hoeven voelen. Dat die jongen op zijn beurt voor een ander moest rennen wist ik ook; vandaar dat ik door die treiterkous geen trauma heb opgelopen. Traumatiserend werkten wel de juffen en meesters die ons zeiden wat we allemaal wel en niet mochten doen en dat God alles noteerde wat je deed. Nu is dat nog ingewikkelder geworden, want ook Allah kijkt toe. God waakt over de auto en Allah over de olie, terwijl wij stervelingen elkaar in hun naam afmaken. Onze kleuters zien de pikorde in vele varianten ook al heel vroeg op televisie. Maar wist u dat ze al vanaf hun zesde jaar op jeugdjudo kunnen? Weinig is beter dan dat voor hun ontwikkeling. Ik zou pleiten voor jeugdjudo als verplicht vak op alle basisscholen. Maar het zal vast wel een halve eeuw duren eer de Faculteit Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht tot dat inzicht is gekomen met dat legertje laatnegentiende-eeuwse psychologen dat voor de geringste stoeipartij al een traumateam in de startblokken zet. Gesubsidieerd, ook dat nog.

Haagsche Courant, vrijdag 18 februari 2005

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns Getagged ,

Nasi goreng voor verstorven geld

alfred birney Er slingert nog zo’n 2,5 miljard gulden rond sinds de invoering van de euro. Het gaat om ruwweg 600 miljoen euro aan bankbiljetten en 500 miljoen aan muntgeld. De Nederlandsche Bank schat dat 130 miljoen gulden zeker niet terug zal komen. Dat noemt met ‘versterf’ en dit ranzige woordje betekent winst voor de centrale bank en dus voor de overheid. Waar al die poen nou ligt mag Joost weten. Een woordvoerder van De Nederlandsche Bank komt weinig verder dan wat u en ik zelf wel kunnen verzinnen: “Dat geld is dan verbrand, kwijtgeraakt, in de wasmachine beland, zit in de oude sok, er zijn boekenleggers van gemaakt of misschien zit er ook wel zwart geld bij.”

Hoe vindt u die laatste zinsnede? “Misschien zit er ook wel zwart geld bij.” Misschien… Ha ha! Maar goed, geen nood hoor: u kunt uw muntstukken nog tot 2007 aanbieden en uw papiergeld tot 2032. Hoe u dat moet doen, zou ik niet weten. Wist u al eerder niet hoe u uw geld wit moest wassen, dan zal u dat nu nog niet weten. Verhef uw zwarte geld anders tot kunst, in de geest van Andy Warhol! Dat geeft het wat kleur, als label rond tubes mayo of zo, in vitrines bij hippe galeries.

Ik vond laatst nog een paar bankbiljetten uit de jaren dertig en veertig in mijn bureaulade, afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, waar men een ‘eigen gulden’ had. Fantasieloze flappen met de kop van Jan Pieterszoon Coen of Koningin Wilhelmina erop. Er zat ook een fraai exemplaar bij van 2,5 gulden, gedrukt door de Javasche Bank. Dus niet de Javaansche Bank. De kop van een Javaanse vorst erop. Of van een wajangfiguur? Ben ik nu al vergeten! Enfin, de achterzijde drietalig bedrukt in het Nederlands, Chinees en Javaans. Of Nederlands-Indië nou multicultureel en multiraciaal dan wel multi-etnisch en multireligieus was, dat laat ik aan onze dweilen van geschiedschrijvers, in elk geval was er voldoende rames voor apartheid.

De eigenaar van het Indonesische Eethuisje Mirasa aan de Reinkenstraat verzamelt bankbiljetten. Ze hangen achter glas aan de muur en liggen onder de glazen toonbank. Er zitten veel biljetten uit Indonesië bij natuurlijk, maar ook Irak en Bulgarije zijn vertegenwoordigd, om enkele landen te noemen. Ik begrijp weinig van verzamelaars, maar het idee om je muur met geld te behangen, denk ik wel te snappen. Wie zoiets doet, heeft tegelijk iets én niets met geld. Voor zo’n persoon is geld waardevol en waardeloos tegelijk.

Ik gaf de eigenaar van Mirasa mijn oude Indische bankbiljetten. Hij was als een kind zo blij. Ik hoefde mijn nasi goreng niet te betalen. Of heb ik die juist betaald met dat geld van zestig, zeventig jaar terug? Wie weet hangen over een halve eeuw onze patatkramen wel vol met bankbiljetten van bijen, snippen, vuurtorens en wat al niet meer het besef van de vergankelijkheid in ons zal oproepen.

Haagsche Courant, vrijdag 11 februari 2005

Hunebedden op Scheveningen

alfred birney Gaat het nou goed of slecht met Neerlands grootste grutter Appie Heijn? Een enorm reclamebord bij een abri schreeuwde me onlangs toe dat AH 1000 producten in prijs gaat verlagen. Ik geloof dat dit keer de drogisterijen de pineut zijn van AH’s prijzenslag. Die zullen wel met een antwoord komen, met gratis zuurkool met worst bij een dozijn tubes tandpasta of zo. Kunnen ze wel betalen, want genaaid zijn we toch al ruim sinds de invoering van de euro. In het pre-eurotijdperk gebeurde dat natuurlijk ook, maar wat minder hard, softer, kortom: lekkerder.

Ik zag dat de door mijn zoontje gewenste middelbare school het vak geschiedenis niet op het lesrooster heeft staan. Ik weet niet meer welk bezopen kabinet dat onderdeel ooit heeft geschrapt, maar de gevolgen zijn om van te huilen. Kijk maar eens naar AH’s koffie. In AH’s assortiment zit een koffiesoort genaamd Gunung Blau. Koffie met een peperachtige smaak, afkomstig van Oost-Java.

Toen AH met die koffie aan kwam zetten, bracht onze grootgrutter het genotmiddel in een bruin pak, waarop de afbeelding prijkte van een mistig bergachtig landschap. Dat was namelijk het Idjen Plateau, ooit door mijn oudoom David B. in cultuur gebracht en reeds in 1895 door de koffie-inkopers hier te lande ontdekt. Het hele gebied rond Djember is trouwens door mijn voorouders in cultuur gebracht. Ik lijd niet aan de tempo-doeloe-ziekte hoor, maar u heeft het nu vast wel te doen met zo’n arme schrijver als ik die voor straf columns moet schrijven om zijn huishuur te kunnen betalen en natuurlijk om die heerlijke koffie van Gunung Blau te kunnen kopen.

Maar ach, snik snik. AH gaat mee met de vormgevingswoede van amateurs die onze echte grafische kunstenaars brodeloos maken. Er komt een nieuwe manager met een flashy laptoppie bij AH aangewaaid en hup het moet weer allemaal anders, want de hersenloze ijdeltuit ziet later graag zijn hoefafdrukken terug in de modder waar hij ooit gelopen heeft. Dus de inhoud moet gelijk blijven, maar het uiterlijk moet anders. En zo wordt het vertrouwde bruine pak van Gunung Blau vervangen door een zilverkleurig pak. Okay, kan ik nog wel inkomen, bruin is wel errug hippiedom jaren zeventig. Maar dan… De historische informatie die op het oude pak stond is botweg geschrapt! En wég is de snoet van de bebrilde meneer in het zegel, dat het pak zo’n mooi historisch Indisch tintje gaf. Nu zit er zo’n lullige antidiefstalbutton op.

Het allerergste is het nieuwe etiket. Een plaatje geschoten vanaf de beroemde Boeddhistische tempel de Borobudur! Die ligt op Midden-Java, Appie Heijn! Nogal een eindje tuffen van daar naar Oost-Java! Als jij straks je Noordzeevis in de vriezers van een grootgrutter op Java wilt gaan leggen, doe je dat dan in oranje doosjes met plaatjes van hunebedden langs de kust van Scheveningen? Ja? Dat noem jij dan zeker ‘de geschiedenis in een ander perspectief zetten.’

Haagsche Courant, vrijdag 4 februari 2005

Strafkamp Aarde

alfred birney In Genesis 6:1-4 staat een van de raadselachtigste zinnen uit de Bijbel: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

Het woordje ‘daarna’ verwijst naar de Zondvloed, die ongetwijfeld momenteel door fundamentalistische christenen met de jongste tsunami in verband zal worden gebracht. Niet hardop, dat past niet bij de huidige massale hulpverlening, die over de grenzen van alle religies heen stapt. Kan de politiek wat van leren. Of helemaal niets. Politiek is immers berekening.

Laat ik de Zondvloed als oer-tsunami even vergeten. Wie waren die reuzen dan? Wanneer waren ze eigenlijk gekomen? En hoe? Met ruimteschepen? En wanneer vertrokken ze van hier? Er is veel over geschreven, gedebatteerd, gebakkeleid, kortom: gefantaseerd. In mijn donkerste ogenblikken koester ik de fantasie dat de reuzen van een andere planeet waren, die de opdracht hadden het grootste tuig uit het universum, mensen genoemd, maar op Strafkamp Aarde te dumpen.

Ja, we zijn maar mensen. Nog geen week na de ramp in Zuid-Oost-Azië wordt de eerste opblaasbare tsunami al aangeboden. Kunnen de kids lekker glijbaantje op spelen. Je kunt er donder op zeggen dat nu al een schrijversteam aan een Hollywoodscenario werkt, want de poen die de VS uitgaat moet er ook weer binnenkomen. Maar dergelijke commerciële streken zijn oneindig doorzichtiger dan de duistere breinen van politici op het wereldtoneel. De Duitse bondskanselier denkt investerend, wat dacht je. Onze minister van Binnenlandse Zaken Remkes doet dat juist niet, Colin Powell weer wel, tamelijk geloofwaardig ook nog, gezien zijn uitspraak dat zelfs hij als oorlogsveteraan nooit eerder zo’n ellende heeft aanschouwd.

Enige verholen ergernis is er over de onvoorziene hulp uit China. De Chinezen zouden iedereen maar voor de voeten lopen. China maakt een economische groei door die de wereld op zijn kop gaat zetten, dus het land begint zich gaandeweg te manifesteren. Zuid-Oost-Azië is als afzetgebied niet langer alleen aan Japan voorbehouden, zelfs Noord-Korea laat zich niet onbetuigd met de hulpverlening.

Niet alles is berekening natuurlijk. Vele mensen zijn geroerd. Dat duurt niet lang. Emoties zijn als golven. Emoties kunnen hele naties in beweging brengen voor kortetermijnhulp aan volkeren die in ellende zijn gedompeld. Gevoelens zijn als stromen, kalmer maar aanhoudender. Een blijvende en eerlijke verdeling van de welvaart over de hele wereld zou nog mooier zijn dan wat nu gebeurt. Dat krijgen wij mensen niet voor elkaar, wij vergeten snel. Kwamen de reuzen maar weer terug op aarde. Een bovenmaanse wereldregering zou een zegen zijn.

Haagsche Courant, vrijdag 7 januari 2005

Jaarwisseling beneden de zeespiegel

alfred birney Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.

Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.

Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.

Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.

Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004