Camera’s (2)

alfred birney De wijsneus zegt dat de wereld constant in verandering is en tegelijk hetzelfde blijft. De echte wijze vouwt de handen, legt die op zijn buik en glimlacht de wereld toe. Een wijze kan geen columns schrijven, want de columnist is niet wijs, hij maakt zich nog druk om allerlei wereldse zaken. Neem nou die 270 camera’s, waar ik het eerverleden week over had. De onnozele zegt dat zonder die camera’s ze nooit de jongen op de fiets hadden kunnen spotten, die die andere jongen op die brommer overhoop schoot. Dat die camera’s dus hun nut hebben. Maar ja, ze hebben die kogels toch echt niet kunnen tegenhouden.

Dat akkefietje (zo heet dat tegenwoordig, geloof ik) aan het Hollandse Spoor heeft denkelijk niet zo’n indruk gemaakt op de mensen die de trein wilden halen. Ook niet die in de tram zaten, want ik stond rond die tijd een half uur op lijn 11 te wachten en toen ik met een zooi andere passagiers instapte hing er niet zoiets als ‘het gesprek van de dag’ in de wagons. We beginnen al te wennen aan schietpartijen, aanstonds zijn ze aan de orde van de dag en wie weet later niet meer weg te denken uit het leven van alledag. Nou, wat gaat het worden: meer blauw op straat op meer blauw achter de muur van monitors in het nieuwe heiligdom van onze politie? Worden onze agenten niet te dik van dat gehang in die verstelbare stoelen die muisarmen, pijnlijke ruggen en zo meer moeten tegengaan? Krijgen ze wel voldoende op maat gesneden training? Volgens mij houdt het op bij een snelcursusje in zelfverdediging. Dat schiet niet op natuurlijk. Die agenten moeten driemaal per week worden gedrild, goed leren vechten, want om zo’n jongen die met een mes op je afkomt, joh daar lach je toch om? Dat is helemaal niks, daar moet je je pistool niet voor hoeven trekken. Schijnbeweging, wering, pakken, arm breken, naar de grond, een flinke trap na en in de handboeien. Dat moet een politieagent kunnen. Naar een computerscherm kijken, kunnen we allemaal.

Camera’s bezitten een eigenaardige tweeslachtigheid: enerzijds lijken ze je privacy te schenden, anderzijds lijken ze die juist te beschermen. Kortom het lijkt allemaal heel wat maar het is helemaal niks. Ze zijn er niet voor ons mensen op de straat. Wij beginnen stilaan wel steeds meer aan camera’s en voyeurs over te laten, omdat ze nu eenmaal een veiligheid suggereren. Dus straks kijken we eerst of er niet ergens een camera in de buurt hangt zodra er ergens stront aan de knikker is. We wijzen opgewonden naar de camera en proberen de voyeurs die erachter zitten te dutten erbij te roepen. Zoiets. De camera registreert de wijzenden en die krijgen vervolgens een bekeuring in de brievenbus wegens nalatigheid toen op die en die dag op die en die plek op dit en dat tijdstip iemand door een ander voor zijn hoofd werd geschoten. Wie nu glimlacht maakt kans ooit de galerij der wijzen te betreden.

Haagsche Courant, vrijdag 15 augustus 2003