Broodje meeuw

alfred birney Wil je nagaan hoe verwend een volk is, dan moet je kijken naar hoe ze met hun dieren omgaan. Rijke volken houden dieren als maatje, object of knuffel, arme volken vreten ze gewoon op, tenzij een of ander geloof dat verbiedt, zoals in India, waar de koe heilig is. In China eten ze alles, van sprinkhanen en babymuizen (lekker met ketjap) tot en met slangendarmen. In Vietnam en Cambodja is de wilde rat erg populair.

Men zegt dat je meeuwen niet kunt eten. Taaie beesten, weinig mee te beginnen. Maar wij hier eten sowieso weinig van wat er om ons heen vliegt. Wij eten bij voorkeur vlees van dieren met een levensloop waar we weinig meer van weten dan dat die zich op de vierkante meter afspeelt.

Mocht de anti-bio-industrie-lobby het ooit ver schoppen, dan zal er schaarste aan vlees ontstaan. Die moet dan worden opgevuld met wild, zoals rat, mier, eend én misschien toch nog meeuw. Van mij mag het, want zo’n meeuw wordt met de dag luier. Je wandelt nog niet met je patatje van de snackcar aan de boulevard weg of die vervelende, opdringerige lelijkerds cirkelen al om je heen. Sommige zijn al zo brutaal om in glijvlucht een patatje uit je bakje te jatten. De gevorderden nemen er dan ook nog effe een lik mayo of pinda bij mee.

’t Is wat, hè?

Hopelijk zal die vette patat de meeuw ooit een andere substantie gaan geven: malser, sappiger, eh… eh… in elk geval rijp voor broodje meeuw (eventueel met zeewiergarni).

Het zal de patatboer aan de boulevard worst zijn. Die vraagt je toch niet: ‘En? Heeft het gesmaakt?’

Haagsche Courant, vrijdag 3 mei 2002