Opstellen over koloniale en postkoloniale literatuur en cultuur

Wandelaar onder de palmen
Opstellen over koloniale en postkoloniale literatuur en cultuur
Michiel van Kempen, Piet Verkruijsse en Adrienne Zuiderweg (red.)
Leiden, KITLV: 2004
Paperback, xvi + 608 bladzijden
Omslag: Creja ontwerpen
ISBN 90 6718 241 9
Niet leverbaar

Deze bundel bevat 47 artikelen die samen een fraaie staalkaart verschaffen van de breedte, diepgang en veelzijdigheid van de studie van de Nederlandstalige koloniale en postkoloniale literatuur. Er is aandacht voor reizigers, zendelingen en courantiers uit vroeger dagen, maar ook voor Indische schrijvers als Tjalie Robinson en Maria Dermoût, voor de grote vier van de Antillen Cola Debrot, Frank Martinus Arion, Boeli van Leeuwen en Tip Marugg, voor spraakmakende auteurs uit Suriname als Bea Vianen en Clark Accord en succesvolle jonge Marokkaans-Nederlandse schrijvers als Hafid Bouazza en Abdelkader Benali. Vrijwel alle belangrijke literatuurwetenschappers op dit vakgebied hebben aan de bundel bijgedragen met stukken die toegankelijk geschreven zijn voor een breed publiek van vakgenoten en belangstellenden.

Alfred Biney schreef speciaal voor deze bundel het essay Indisch Dictaat. Over Dé-Lilah en Multatuli en Jan ten Brink.

Dans op een choreografie van gisteren; de Indo-romans van Alfred Birney

Door: Wilfred Jonckheere Universiteit van Natal: december 2001

Alfred Birney belongs to a group of so-called Indo-writers in the Netherlands. Most of them were born in the Netherlands as the offspring of “Indo’s” or people of racially mixed descent that hailed from Holland’s former colony of the Dutch East Indies (now known as Indonesia). In this paper three of Birney’s Indo-novels are discussed, namely Vogels rond een vrouw (1991), De onschuld van een vis (1995) and Het verloren lied (2000). These novels stand out in Birney’s work as he has also produced novels and short stories which cannot be classified as Indo-literature. The above mentioned novels are to a certain extent auto-bio­graphi­cal, but more importantly, they raise, amongst other things, the dilemmas and tensions of the young Indo victimized by family traumas which have their origin in the colonial past. This paper sets out to define specific characteristics of Birney’s three novels which illuminate important aspects of Dutch post-colonial literature.

In zijn The location of culture poneert Homi Bhabha (1994: 12) dat trans­natio­nale geschiedenissen van migranten, van mensen die gekoloniseerd zijn of van politieke vluchtelingen thans een prominente plaats in de werel­d­literatuur innemen. Zijn woorden schijnen de laatste jaren be­ves­ti­ging te krijgen in Nederland waar literair werk van (tweede ge­ne­ra­tie) mi­granten met de publicatie van werk van Abdelakader Benali, Yas­mine Allas, Kader Abdolah en Lulu Wang de laatste tijd veel aandacht krijgt. Men zou echter gemakkelijk kunnen vergeten dat andere “etni­sche” schrijvers van bijvoorbeeld Surinaamse, Antilliaanse of Indisch-Ne­der­landse (“Indo”) herkomst dit soort literatuur al geruime tijd be­oe­fe­nen, maar dan natuurlijk vanuit een ander perspectief. Een van de Ne­der­landse Indoschrijvers, namelijk Alfred Birney, auteur van zes ro­mans (waar­onder drie Indo-romans), een verhalenbundel, de bloem­le­zing Oost-Indische inkt (1998) en een bundel beschouwingen, verdient onze aandacht. [i]

1. Indo-schrijvers

De Nederlandse Indo-schrijvers zijn de nazaten van “Indo’s”, dit wil zeggen Indo-Europeanen of mensen van gemengd bloed, afkomstig uit de voor­ma­lige kolonie “Nederlands-Indië” (thans bekend als de Republik In­do­ne­sia). Tot deze Indo-schrijvers die allemaal in Nederland na de on­af­han­kelijkheidswording van Indonesië geboren zijn en die zich als de “twee­de generatie” Indo’s zien, rekent men naast Alfred Birney ook Marion Bloem (wellicht de bekendste van deze groep), Jill Stolk, Ralph Boekholt, Nicolette Smabers, Ernst Jansz, Glenn Pennock, Theodor Holman. [ii] Bloem en Birney zijn literair gesproken het meest productief. Voor inwoners van het multiculturele Zuid-Afrika is hun werk bijzonder in­­te­res­sant door de herkenbaarheid van de problematiek die erin ter spra­ke komt. Zij behoren van huis uit tot een mengcultuur en zetten zich in hun boeken met variërende heftigheid af tegen marginalisatie en ver­meend racisme van hun landgenoten.

Hun werk behoort tot de postkoloniale literatuur indien we met Ashcroft, Griffiths en Tiffin (1998: 186) postkoloniale literatuur defi­ni­ëren als de literaire werken die zich bezighouden met “the effects of co­lo­nizations on cultures and society”. In The empire writes back (Ashcroft e.a. 1994: 2) zeg­gen deze auteurs: “We use the term “post-colonial”, however, to cover all the culture affected by the imperial process from the moment of colo­ni­zation to the present day. This is because there is a continuity of pre-occu­pa­tions throughout the historical process initiated by European imperial aggression”. Ashcroft en zijn collega’s hadden natuurlijk de agressie van het Britse “empire” in gedachten, maar hun definitie kan men ook van toepassing maken op de Nederlandse kolonies en de gevolgen van het koloniaal beleid voor zekere mensen en groepen.

De Nederlandse Indo’s van de tweede generatie vormen echter een bijzondere groep: persoonlijk hebben ze het oude Nederlands-Indië nooit gekend aangezien ze na de koloniale periode in Nederland geboren zijn of (zoals Boekholt en Pennock) naar Nederland kwamen toen ze nog kinderen waren. Aan de andere kant zijn hun ouders (of toch een van beiden) wel in het voormalige Nederlands-Indië geboren en ge­to­gen. Zij vormden destijds in het hiërarchische Nederlands-Indië een spe­ciale groep, tussen de Nederlanders en de inheemse bevolking in, maar dichter bij de Nederlanders zelf. Na de vrijmaking van Indonesië wer­den zij ook als een soort landverraders gezien en kozen vele Indo’s ervoor zich permanent in Nederland te vestigen. De nawerking van de traumatische jaren veertig in de kolonie en de moeilijke integratie in de Nederlandse samenleving lieten bij niet weinigen van deze generatie diepe sporen na. De meesten voelden zich nog Indisch, bleven Maleis spreken met hun vrienden en gingen nog op in de cultuur van het oude moederland. Hun kinderen, de zogenoemde tweede generatie, waren natuurlijk getuigen van die fenomenen waarvan ze zich vervreemd gingen voelen omdat zij al voor een goed deel vernederlandst waren. De schrijvers onder hen deden wel hun voordeel met wat ze van hun ouders over de koloniale periode vernamen. Het leverde vertelstof op die ze op persoonlijke wijze en gemengd met eigen ervaringen in Nederland verwerkten in hun geschriften.

Dat was bijvoorbeeld het geval met Alfred Birney wiens vader ten tijde van de politionele acties [iii] in de late jaren veertig de kant van de Neder­landse overheid had gekozen, zich daardoor vervreemdde van zijn Indo­nesische landgenoten en na de onafhankelijkheidsstrijd in Neder­land belandde, een voor hem totaal onbekende omgeving. Vervreemding van de eigen wereld, diaspora, desoriëntatie of “dislocation” zijn ka­rak­te­ris­tiek van post-koloniale cultuur. [iv] De invloed van land en cultuur waar de migranten belandden – in het geval van de Indo’s: Nederland – heeft al­tijd op de verplaatste groep en vooral hun nakomelingen een grote nawerking gehad. Voor Birney’s vader leidde de migratie en vooral het onverwerkte verleden tot onstabiliteit, paranoïa en het uiteenvallen van zijn gezin. Zijn zoon Alfred daarentegen slaagde er gelukkig in om die negativiteit voor een goed deel om te buigen tot creativiteit in de vorm van een literair oeuvre waarin hij zich afreageert op het huiselijke milieu waaruit hij afkomstig was.

Autobiografische trekken treft men niet alleen in Birney’s werk aan maar ook in dat van zijn groepsgenoten waarin eveneens de problematiek van de Indo in Nederland of van de late nawerking van het Nederlandse koloniale beleid behandeld worden. Fragmenten uit hun werk komen voor in de laatste afdeling van de bloemlezing Oost-Indische inkt (1999), samengesteld door Alfred Birney.

2. In het voetspoor van de Arend

Birney’s eerste romans, Tamara’s Lunapark (1987) en Bewegingen van heimwee (1989), verschenen niet onder het etiket van Indo-literatuur. Hij wil­de in de eerste plaats naam maken als een Nederlands schrijver en koos thema’s waarin de zoektocht naar het verleden en een verlangen naar geborgenheid gestalte krijgen.

Birney blijft herinneringen najagen in zijn eerste Indo-roman, Vogels rond een vrouw (1991). De thematiek van de zoektocht naar de eigen iden­ti­teit, de bijzondere structuur en de stijl van de roman droegen ertoe bij dat dit verhaal bijval oogstte in de Nederlandse pers. [v] Het zal ook gehol­pen hebben dat het hier om Indisch-Nederlandse literatuur gaat, een gen­re dat nog steeds erg in trek is in Nederland.

Afgezien daarvan kan men zich afvragen of de bijval in de Nederlandse pers verband houdt met schrijversstereotypering, een fenomeen waaraan Birney zich vaak heeft geërgerd. In zijn controversiële Yournael van Cyberney (2001) klaagt hij de “Apartheid in de literaire kri­tiek” in Nederland aan. Hij heeft het daar onder meer over zijn dilemma als schijver: “representeer je een groep of jezelf? In mijn geval: re­pre­sen­teer je de Indische groep van je vader, de Hollandse groep van je moeder of beide? Op grond van mijn uiterlijk is het eerste gewenst, niet direct het tweede” (156). Zijn hoofdbezwaar is tegen diegenen die specifieke ver­wach­tingen van hem als schrijver koesteren en het niet kunnen verwerken dat hij zich evenzeer Nederlander als Indo voelt en het recht heeft om over beide onderwerpen te schrijven. Hij zegt verder: “Beide groe­pen tegelijk vertegenwordigen wordt (onbewust?) gezien als vals spel, onduidelijk gedrag, op zijn ergst als verraad” (157). Volgens Birney bespraken zekere recensenten alleen zijn “Nederlandse” romans, terwijl anderen alleen belangstelling hadden voor zijn Indisch-Nederlandse of postkoloniale romans.

Het verhaal van Vogels rond een vrouw speelt zich in Nederland én in Indonesië af en strekt zich uit over een vrij lange periode: vanaf de jeugd van Alan Noland in het ouderlijke huis in Nederland tot de reis door Java wanneer hij veel ouder is en het raadsel van zijn Indo-vader en diens voorgeslacht ter plekke probeert te ontrafelen. Als we het verhaal zo bekijken gaat het zoals in de eerste romans weer om een zoektocht, een reis door het doolhof van het verleden, een (vruchteloze) poging om in het reine te komen met het heden.

Volgens Cirlot (1962: 157) in navolging van Carl Jung is reizen een beeld van een aspiratie, van een niet-verzadigd verlangen dat nooit zijn doel vindt. Tussen reizen en zoeken is geen verschil. Het is een poging om de weg door en uit een doolhof te vinden. In Alan Nolands geval is dit de doolhof van het heden en het verleden van zijn familie in diverse tijdperken en gebieden van de wereld. Hij blijft op zoek of op reis naar de waarheid, maar die is niet te achterhalen of te formuleren omdat die niet absoluut is. Iedereen heeft zijn eigen waarheid.

Birney biedt zijn verhaal in drie afdelingen aan die elk onderverdeeld zijn in een reeks hoofdstukken bestaande uit taferelen in diverse toonaard. Deze gefragmenteerde vertelwijze gecombineerd met het gebruik van verschillende vertellers is een uiterst geschikte techniek om het door omstandigheden verbrokkeld bestaan van de hoofdpersoon te reconstrueren.

In elke afdeling maakt hij op effectieve wijze gebruik van ver­schil­lende vertellers die echter uitingsvormen zijn van dezelfde persoon. Eerst komt een ik-spreker aan de beurt die de lezer inlicht over de jeugd­ja­ren van Alan en zijn broer Philip Noland die opgroeien in een huis­ge­zin in Nederland dat gedomineerd wordt door een schizofrene vader met de naam Arend. [vi] Arend is een Indo die petjoh [vii] met zijn vrienden praat, getrouwd is met Anneke, “een Brabantse schoenmakersdochter” (17) maar door zijn Indisch oorlogsverleden helemaal onstabiel is geworden. Deze “verloren zoon” (27) die raadselachtig verbonden is met zijn verre moeder, heeft zijn ziel op Java achtergelaten (14), en voert, zoals later blijkt, een “papieren guerilla-oorlog” (38) op zijn tikmachine om zijn mémoires te schrijven. Zijn onstabiliteit uit zich ook in agressiviteit tegen zijn familie en zijn nachtelijke dwaaltochten door het huis wanneer hij in zijn schimmenwereld op zoek is naar Indonesiche terroristen. Het blijkt dat hij als Indo destijds in de politionele acties voorafgaand aan de Indonesische onafhankelijkheid aan de kant van de Nederlanders gevochten had.

De jonge en sensitieve Alan en zijn broer worden thuis gefascineerd door diverse objecten van Indische oorsprong: de drie familieportretten boven het bed in de ouderlijke slaapkamer, de Chinese vazen (een ge­schenk van de geheimzinnige op Java wonende Chinese grootmoeder Sie Swan Nio), het schilderij met een Indonesische vulkaan, de myste­rieu­ze pak­jes die van tijd tot tijd uit het verre Indonesië aankomen en die de achter­dochtige moeder Anneke prompt weggooit omdat ze bang is voor vergiftiging en “goena goena”. Alans huiselijke wereld is dus een we­reld die door een reeks geheimzinnige Indische objecten en vrees onder­mijnd wordt. Dit heeft tot gevolg dat hij slaapwandelt “s nachts wat ook een soort zoeken naar een onzeker doel is.

In deel twee van deze roman verandert het vertelperspectief van de “ik” in een combinatie van “jij” en “ik”, beide uitingsvormen van dezelfde focaliserende persoon, namelijk Alan Noland. We zijn nu een heel aantal jaren verder in de handeling en de vertellende of schrijvende “ik” is in het vertelheden als het ware in een gesprek met de “jij” van vroeger: “Ik leg dadelijk de pen neer. De ochtend gloort. Ga jij maar slapen” (94) zegt hij tegen zijn alter ego aan het eind van deze afdeling. Deze tweespraak met de eigen persoon werkt heel goed om de ontwikkeling van groeiende inzichten in het raadsel van de vader en diens herkomst te relativeren. Vogels rond een vrouw is inderdaad een soort “Vatersuche”, een poging om hem die tegelijkertijd veracht en bemind wordt, te verstaan. Afgezien daarvan is het ook een zoektocht naar de raadselachtige grootmoeder Sie Swan Nio wier “magische aanwezigheid” (10) vanaf de eerste bladzijden aanvoelbaar is. De grootmoeder die steeds in Indië gewoond heeft en daar overleden is, treedt nooit reëel op in het verhaal. Zij is de grote afwezige/aanwezige die zich soms in geheim­zin­nige situaties of in Alans dromen openbaart omdat hij volgens zijn vader haar lievelingskleinkind was. Instinctief beseft Alan echter dat zij een sleu­tel kan zijn om de deur naar zijn vaders raadselachtige verleden te ope­nen. Alles wat er van haar overblijft is haar portret en ook een beetje zand dat afkomstig is van haar graf op Java en de geheimzinnige Chinese vazen waarvan zijn vader hem en zijn broer er elk een cadeau doet. Het zijn objecten met een geheimzinnige lading die, Alan – nu een jonge man – ertoe aan zetten om iets van de verborgen Indische realiteit die ach­ter deze objecten schuil gaat, in de voormalige kolonie op te sporen. Op­nieuw dus het motief van de zoektocht, een essentiële component in het werk van Alfred Birney. Ook de beheptheid met dingen die een reali­teit of een wereld schijnen te verbergen is hier belangrijk roman­motief.

Voor het derde en het langste deel van Vogels rond een vrouw, maakt Birney nu, zoals in de meeste van zijn andere romans, gebruik van een externe vertelinstantie. In tegenstelling tot de andere romandelen waar alles in de verleden tijd geschiedt, schakelt de verteller nu over naar de tegenwoordige tijd om Alans reis naar en door Indonesië te actualiseren. Het motief van de reis naar Indonesië is volgens Frank Vermeulen (1988: 230) een typisch element van Indo-romans. Volgens hem is die reis een “beeld van het op zoek gaan naar de eigen identiteit.” Al deze “roots”-reizen zijn ook pogingen om in de tijd te reizen en daarom gedoemd te mislukken. Dat geldt bijvoorbeeld voor Zon in Marion Bloem’s Geen gewoon Indisch meisje of Joch in de roman De overkant van Ernst Jansz. Hetzelfde geldt voor Birney’s hoofdfiguur. Alans bedoeling is om het beeld dat hij zich aan de hand van zijn vaders memoires gevormd heeft te toetsen aan de werkelijkheid en diens Indisch mysterie te ontrafelen. Zijn zoektocht levert echter weinig op. Aanvankelijk heeft hij een “ge­voel van thuiskomst” (102) in Jakarta, maar de ontdekking van zijn va­ders – en in zekere zin ook zijn eigen – land van herkomst leidt toch tot een teleurstelling. De mensen en de natuur waarover hij in verhalen van zijn vader en uit brieven gehoord had, nemen plotseling reële vormen aan: tante Lea, bijvoorbeeld, die met haar dochter en kleinzoon in Soera­baya woont en wiens man, Josida, tijdens de onafhankelijkheidsstrijd spoor­loos was verdwenen. De grote vraag voor Alan is of zijn vader wel was wat hij beweerde ooit te zijn geweest? Het blijkt nu dat de vroegere helden­daden van zijn vader waarvan hij zogenaamd nog de littekens draagt, verzinsels zijn geweest. Tante Lea schept twijfel over diens zo­ge­naamd militair verleden. Volgens haar bezat haar broer niet eens een ge­weer en ging hij zelden het huis uit in die stormachtige periode.

Alans bezoek aan diverse familieleden en zijn kennismaking met Jakarta, Surabaya, de berg Kawi, Yogyakarta en Ungaran waar zijn groot­moeder begraven ligt, heeft iets van een bedevaart, zelfs een boetetocht. Het is een poging om iets van het verleden ongedaan te maken, boze mach­ten te bezweren en raadsels op te lossen. Alan zoekt ook zijn weg door de doolhof van oude familierelaties en intriges maar wordt tenslotte niet veel wijzer. Uiteindelijk beseft hij dat hij niet meer dan een waar­de­loze “cicak”, een soort salamander, is en dat hij danst “op een cho­re­o­gra­fie van gisteren. Ik jaag op muggen die hier niet meer zijn” (140). Het ver­waarloosde graf van zijn grootmoeder in Ungaran is het eindpunt van zijn pelgrimstocht. Zijn aandacht wordt afgeleid door een krassende raaf, soort­gelijk aan degene die Alans moeder Anneke jaren geleden in haar ka­mer in Holland had gezien toen ze instinctief wist dat de oude groot­moeder op Java overleden was (31).

Vogels, bekende symbolen voor menselijke geesten of zielen, functioneren in deze roman meestal als de aankondigers van de angst­wek­kende of de spookachtige dimensies van het bestaan. Angst wordt bij­voorbeeld al gesuggereerd door de bijnaam van Alans vader, na­melijk “De Arend”, vooral omdat er in de zitkamer een wandkleed hangt met een jachttafereel van een adelaar die zich op een vluchtend hertje stort. Dit slachtoffer waarmee Alan zich instinctief associeert, roept een paral­lel op met hemzelf wanneer hij tijdens zijn slaapwandelingen door de hallucinerende vader achtervolgd wordt. “Er was geen warm nest on­der zijn vleugels te vinden (…) Jullie waren nog altijd bang voor zijn sna­vel en klauwen” (39) zegt hij verder tegen zichzelf.

Alan is als kind ook steeds geboeid door de “garoeda”, de arend, die op de lucht­postbrieven uit Indonesië gedrukt staat en die iets van de myste­rieuze wereld van de vader en de grootmoeder oproept. Aan het eind van het verhaal zit hij in een toestel van de Garuda, de Indonesische lucht­vaart­maatschappij dat zich van “Arends moederland vandaan beweegt en op weg is naar zijn vaderland” (174). Op dat moment heeft Alan zijn ont­nuchterende zoektocht door Indonesië achter de rug, al zijn de familie­geheimen niet opgelost. Hij zit als het ware binnen in een vogel en is zijn angsten nauwelijks de baas. Zoals de titel van dit finale hoofd­stuk aangeeft blijft hij “in de lucht” hangen, onzeker.

De roman Vogels rond een vrouw mag een zoektocht naar de vader en de ge­heim­zinnige grootmoeder zijn, uiteindelijk is het ook een zoektocht van de verteller naar zichzelf en zijn eigen identiteit. Alan probeert zich­zelf te vinden tussen diverse generaties en familievertakkingen die uit ver uit­een liggende landen en culturen afkomstig zijn. Hij ervaart het dilem­ma van iemand die nergens thuis is. Niet voor niets is zijn familienaam Noland. Al vergeet hij zijn Indo-schap niet en beleeft hij Indonesië tijde­lijk als een soort “thuiskomst”, toch beseft hij hoe Nederlands hij is, hoe vreemd voor de lokale mensen die hem vragen waarom hij in Nederland en niet op Java woont. Deze cultuurschok is een belangrijke ervaring in het gevoelsleven van de verteller. Hij weerspiegelt de ervaring van de hui­dige generatie Indo-schrijvers in het algemeen die nog gecon­di­tio­neerd is door de mythe van de ouders. [viii]

Centraal in deze roman is dus ook het vreemdelingbegrip dat Birney op treffende wijze wist te suggereren, het niet-behoren tot de ene of de andere groep. Door het asociaal gedrag van zijn vader is Alan vervreemd van eigen familie en achtergrond. Zijn Nederlandse landgenoten laten hem na de Molukse treinoverval ook een ongewenst element in eigen land voelen. In Indonesië is hij evenmin echt thuis en loopt hij trouwens rond met angst voor wraakmaatregelen van ex-guerillastrijders. Alan is inderdaad zozeer geconditioneerd door zijn vaders verhalen over zijn “vijan­den” dat diens angst voor wraaklustigen zich op hem heeft overgeplaatst. Zoals zijn vader is hij slachtoffer van zijn illusies die een schimmenspel zijn. Het wayangspel en de wayangpoppen uit het hoofdstuk “Gunung Kawi” zijn in deze context een belangrijke metafoor in de roman. [ix] Op een avond na een wayangvertoning die hij bijgewoond heeft, wordt hij aan­ge­spro­ken door een geheimzinnige figuur die uit een steegje tevoorschijn komt en die hij eerst aanziet voor een potentiële moordenaar. Het blijkt echter iemand te zijn die illegaal een geweer wil verkopen om op apen te jagen. In Yogyakarta koopt Alan twee wayangpoppen waarvan hij er een aan zijn vader wil geven. Van een familielid verneemt hij dat ze Rama en Krishna voorstellen, een zoon die de reïncarnatie van zijn vader is, een vingerwijzing naar het feit dat Alan niet aan zijn noodlot kan ontsnappen.

Arend, Alans vader, was ook voortdurend op zoek naar schimmen van het kwade dat hij meende te moeten uitroeien. Hij is zelf een soort wayang­vertoner van zijn eigen geschiedenis in de Hollandse huiskamer: “’s Avonds na televisie ontstak hij als een dalang, een wayangvertoner, de lamp op zijn bureau om vanuit zijn Indisch jongenshart, harkend in de puinhopen achter zich te verhalen hoe hij had geleden” (39).

Alan kan zich niet losmaken uit die boze kring van schimmen. Zo wordt hij zelf de verpersoonlijkte vrees van zijn vader wanneer hij Indonesië bezoekt, bang dat men hem als de zoon van de verraderlijke guerillahater zal herkennen. Zoals zijn vader is hij ook slachtoffer van zijn angst voor schimmen, voor de spookachtige stille kracht die op wraak belust is.

3. Het vijandig heiligdom

Ook in zijn volgende roman komt de hoodfiguur tot de conclusie dat hij zich niet uit de macht van de nu verdwenen vader kan losmaken. Birney’s tweede Indo-roman, getiteld De onschuld van een vis (1995), ver­toont inderdaad bepaalde overeenkomsten met Vogels rond een vrouw. Het hoofd-personage, in dit geval Edu(ard), is ook een in Nederland op­ge­groei­de Indo afkomstig uit een gezin met een asociale, tirannieke vader die een onverwerkt oorlogsverleden op Java heeft gehad. Het gezin is ook uiteengevallen, maar de vader, “een zogenoemde kampong-Indo”, is op het moment dat het verhaal begint spoorloos verdwenen, waar­schijn­lijk dood. [x] In opdracht van zijn moeder komt Edu de benedenflat waar zijn vader zich gevestigd had, leegmaken. De externe vertelinstantie focaliseert ook weer de fijngevoelige zoon, die vroeger als kind getrauma­tiseerd was door de vader en soms slaapwandelde.

In tegenstelling tot de vorige roman is de hoofdhandeling van het vertelheden hier niet over een groot aantal jaren uitgestrekt, maar slechts over een paar dagen, alhoewel terugverwezen wordt naar momenten die ver in het verleden liggen. Het verhaal speelt zich in de heel beperkte ruimte van de flat af, maar wordt wel bij tijden uitgebreid naar andere plaatsen waarover Edu zit na te denken en waar het vroegere gezin of bepaalde personen daaruit ooit gewoond hebben of geweest zijn.

Van goena-goena of spookachtige elementen die Vogels rond een vrouw zo typeerden is hier geen sprake. De onschuld van een vis is een kil relaas over de meedogenloze poging van de zoon om de leefruimte van de para­noïde verdwenen vader te elimineren en zodoende de vader tot in zijn ziel aan te tasten. Geen verkwikkende leesstof maar een goed verteld en geconstrueerd verhaal waarin retrospectie een belangrijk struc­tu­re­rend component is. De bedoeling van die veelvuldige terugblikken is om de lezer te informeren over het vroegere familieleven van Edu, zijn broer Joshua, zijn zuster Ella en hun ouders. In die terugblikken is de zeer autoritaire vader de levende aanwezige, terwijl hij in het vertelheden waarin Edu de flat laat leeghalen, de permanent afwezige is, dat wil zeg­gen lichamelijk afwezig. In de perceptie van Edu huist zijn geest nog wel in de dingen die hij achtergelaten heeft: een groot portret van hem in “Chinees vechtkostuum” (46) boven zijn bed bijvoorbeeld, zijn scooter, de weinige meubels en boeken en vooral het aquarium met een schuchtere meerval, een rivierroofvis. Dat de vader alleen maar negatieve connotaties bij Edu oproept blijkt duidelijk uit de attributieven die hij aan hem toekent: “beul” (38, 48); “dictator” (49); “geschifte despoot” (62); “machtige vijand” (79). Voor de moeder was hij volgens Edu haar “verkrachter, haar cipier, vampier” (82), etcetera. Zijn boosaardige gedrag is een gevolg van zijn verleden als gevangenbewaarder en martelaar van land­­ge­­no­ten in “de oude kolonie” (84). [xi] Sadisme en ver­vol­gings­waan­zin hadden zijn vermogen tot normale menselijke relaties verwoest. Hij bleef zich omringd voelen door de oude vijanden die op wraak zinden op hun beul, zodat zijn persoonlijke ruimte een “vijandig heiligdom” (22) of een sadistisch universum werd.

Het enige levende element dat Edu in de verlaten flat aantreft is de meerval, de duivelvis in het verwaarloosde aquarium. Deze schuchtere een­zame vis waarop Edu steeds zijn aandacht richt – min of meer zoals de vogels in de vorige roman – wordt een dominant symbool in deze roman. De vis is inderdaad het laatste teken van leven van Edu’s vader. Edu ziet hem als “de duivelse bewaker van een burcht” (122) of als “zo “n monster, zo “n bijna mens” (144). Overdag is hij meestal onzichtbaar omdat hij zich achter waterplanten in het aquarium verstopt, tenzij hij op­ge­jaagd wordt. “s Nachts daarentegen laat hij zich in het kunstmatige licht van de lichtkap zien en dwaalt hij rond zoals de vader die op zoek was naar zijn slachtoffers.

De grote ironie van deze situatie is dat de vis ook een andere in­ter­pre­ta­tie toelaat. Hij is niet alleen een symbool van de eenzaamheid van de ver­dwe­nen vader, maar ook van Edu zelf die op zijn eentje bezig is de we­reld van de vader te vernietigen. In nog een ander opzicht is er een paral­lel tussen Edu en de vis: “Zwemmen in zo “n bak zou iets van slaap­wan­delen weg kunnen hebben” (107), zegt Edu op een bepaald moment. Als de vis slaapwandelt is hij ook metafoor van Edu die zoals de vis gevangene in eigen huis was. Het identificatieproces loopt door tot de laatste bladzijde van deze roman waar Edu zich niet kan losmaken van de duivelvis “slaappwandelende in zijn gevangenschap” (191). Zoals de vis de gevangene was van zijn eigenaar, slaagt Edu er niet in zich te bevrijden van zijn vader, de vroegere gevangenbewaarder. Edu blijft zijn vaders gevangene al is hij dood of verdwenen. Vanuit het portret boven zijn bed blijft de vader de bijna leeggehaalde woning vullen “met de zwaarte van zijn bevroren adem” (191). Edu’s poging om hem te vernietigen door de resterende dingen die hem nog aan zijn vader herin­ne­ren te verkopen of weg te geven, mislukt. Hij schuilt niet in de dingen, zijn geest is onaantastbaar. Om de geest van zijn vader tot in het diepst te raken had Edu ook diens prostituee Wanja laten komen, maar ook die ont­moe­ting loopt falikant af. De gevangenbewaarder laat zijn slachtoffers niet los. De last van het verleden is niet af te leggen en Edu is gedoemd om het kind in zich “voort te moeten voelen leven” (191).

De parallel tussen Edu en de vlieg die symbool is van zijn eigen mach­te­loosheid ten opzichte van de vader valt op. Edu maakt de lastige vlieg in zijn vaders flat dood door een nat washandje naar hem te smijten juist op een moment wanneer de vlieg op het muurportret van Edu’s vader zit. Natuurlijk schept deze situatie een nogal expliciete paral­lel met het verleden toen de vader een nat washandje naar Edu’s gezicht gooi­de wanneer hij hem betrapte tijdens het slaapwandelen. Edu geeft de vlieg aan de vis in het aquarium, een poging tot wraak op de vader maar ook een teken van zijn eigen machteloosheid.

Rob van Erkelens [xii] noemde De onschuld van een vis terecht een “vrij traag boek”. Er komen inderdaad weinig gebeurtenissen en dialogen in voor. Het verhaal wordt eerder gedragen door de innerlijke monologen, herinneringen en gedachten van Edu waardoor de handeling dus miniem en bijna helemaal naar een intern vlak verschoven is. Toch heerst er een permanente hoogspanning die deze roman boeiend maakt en die tot een hoog­tepunt gedreven wordt door de driehoeksverhouding van Edu, Wanja (de prostituee) en de vis. Wanja slaagt er niet in om haar contact met hem helemaal tot een puur lichamelijke ervaring te verlagen. Edu’s aandacht blijft afgeleid werden door de vis die hem zoals zijn vader onverbiddelijk in zijn greep vasthoudt. Hij blijft de meedogenloze ge­vangen­bewaarder.

Het is duidelijk dat Birney’s eerste twee Indo-romans queesten zijn, zoektochten van Edu naar de vader of naar de wortels van zijn eigen bestaan die achter een reeks objecten schuil gaan. Uiteindelijk zijn het ook zoektochten naar geborgenheid en menselijke warmte. Alan in Vogels rond een vrouw en Edu in De onschuld van een vis zijn emotioneel en als persoon sterk aan elkaar verwant. Ze hebben behoefte aan veiligheid en aan een zinvolle relatie met de vader die hen verstoot of al verstoten heeft. De vader-zoon relatie schijnt een veel belangrijker rol te spelen dan die van de moeder ten opzichte van de zoon. De verhouding met de moe­der wordt wel prominent in Het verloren lied (2000), Birney’s derde Indo-roman.

4. Alles waar je naar verlangt

Volgens eigen getuigenis had Birney niet het plan opgevat om met deze roman het derde deel van een trilogie te schrijven. Toch is er reden om aan te nemen dat we hier te maken hebben met een derde deel van een soort Indo-cyclus waarin motieven voorkomen die overeenstemmen met die van de andere twee behandelde romans. [xiii] Opnieuw komt de Indo-vader en dus de Indo-zoon voor hoewel laatstgenoemde nu blank is en eerstgenoemde niet de geestelijk geteisterde van de andere romans; opnieuw de blanke moeder (Helga Grün) die ditmaal van Duitse af­komst is; opnieuw het uit elkaar vallende gezin wat ertoe leidt dat de zoon eerst bij de stief-grootmoeder belandt en daarna in diverse kinder­te­hui­zen tot hij zijn eigen pad in het leven kan kiezen.

Het valt op dat Birney kiest voor muzikale terminologie in een aantal hoofstuktitels. Hoofdstukken een, drie, vijf en negen krijgen in hun titels termen mee als “Intro”; “Interlude”; “Intermezzo”; “Coda”. Esther Wils schrijft in dit verband terecht dat Birney zijn roman beheerst ge­com­po­neerd heeft “met terugkerende thema’s en variaties, crescendo’s en diminuendo’s, met een volgehouden spanning”. [xiv] De bewuste betiteling – en natuurlijk ook die van de roman zelf – wil al een aanduiding zijn van het feit dat muziek een centraal motief in deze roman vormt. Het Birney-thema van de zoektocht naar het verleden neemt in deze roman de vorm aan van een zoektocht naar het verloren lied dat Michael Lange­nacht, vanuit wiens standpunt het hele verhaal verteld wordt, op een avond op de radio gehoord had toen hij als kind in Den Haag bij zijn groot­ouders logeerde. Zijn grootvader had de jonge Michael bewust ge­maakt van de wonderen van muziek en de geheimen van de radio: “De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het “s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek” (8). Daar hoort hij ook flarden van het lied dat hem zijn verdere leven zal fascine­ren en dat hij blijft zoeken, wellicht omdat het iets vertegen­woor­digt van de warme, veilige wereld van zijn grootvaders verhalen en een sfeer oproept die verloren is gegaan sedert de grootvader voor goed ver­trok­ken is naar Indonesië. Laatstgenoemde wist wel dat het daar “niet meer was als toen” (8) maar die koloniale wereld is voor hem ook een soort verloren lied dat hem blijft achtervolgen en waarvan hij zich niet kan losmaken.

De grootvader was het ook die Michael aangespoord had piano te gaan spelen want “als muzikant ben je nooit alleen, zul je nooit alleen zijn later” (8). Muziek is lot en noodlot in deze roman. De liefde voor mu­ziek vindt zijn oorsprong in de grootvader die de pianist van het “Trio Lange­nacht” in Soerabaja was. Tot deze band behoorde ook ene Quadrado, de bassist die na de verdwijning van de grootvader bij Michael’s grootmoeder is komen wonen. De suggestie is dat zij al vroe­ger een geheime verhouding hadden. Grootvader Langenacht is het die Michaels muziektalenten wakker maakt zodat hij later piano, viool en mond­harmonika speelt. Michaels vader is ook muzikant en zijn moeder gaat op in het cabaret. De passie van de ouders is echter de oorzaak van de desintegratie van het gezin zodat Michael in kindertehuizen opgroeit. Daar weet hij zich echter stand te houden met zijn muzikale talenten die bewondering opwekken bij de andere jongens vooral wanneer hij de bekende liedjes van die tijd (de jaren zestig) kan spelen. Zoals de radio is vooral de piano een troost voor de eenzaam opgroeiende jonge man.

De radio met zijn bijzondere aantrekkingskracht stimuleert vooral zijn verlangen naar het verleden toen zijn bestaan nog goed en vol belofte was. Dit is de wereld van het verloren lied, van de geïdealiseerde groot­vader die het verlangen naar verre, onbestemde werelden in hem op­ge­wekt had. Het is ook het lied dat hem een gevoel van veiligheid en inner­lij­ke harmonie geeft: “Zolang de zangeres er was kon mij niets gebeuren, want ze omsloot alles om me heen, het huis, de straat, het park, de hele wereld, alles wat ver en tegelijk zo dichtbij was en zich niet liet grijpen in de zwaarte van de nacht” (17).

Het liedmotief loopt als een rode draad door de hele tekst. Op de meest onverwachte momenten meent hij het te horen, dikwijls in situaties die iets met slaap of slaapkamers te doen hebben. Op een bepaald ogenblik meent hij zijn slapende moeder enkele noten uit het lied te horen zingen (62). Dat is ook het geval met zijn vriend Rico (178) die het tot Michaels grote verbazing in zijn slaap ligt te neuriën. Het lied vertegenwoordigt zijn “diepste zwakke plek” (179) en het stimuleert ook zijn passie voor muziek, het enige element dat zijn bestaan in de kinder­te­hui­zen zinvol maakt en hem in staat stelt zijn eenzaamheid te over­win­nen. De wereld van muziek is een toevluchtsoord, een concretisering van zijn ontsnappingsdrang.

Lied en erotische fantasie worden soms ook in verband met elkaar gebracht in deze tekst. Het lied is even onvindbaar als het idyllische meisje dat hem op een zomerkamp eens een rode strik als pand had ge­ge­ven. Beiden staan voor “de onuitgesproken belofte van het leven, dat alles waar je naar verlangt ooit ingelost zal worden” (275).

Ook de radio waar zijn grootvader hem naar heeft leren luisteren blijft een belangrijk element in het verhaal. De radio is vanzelfsprekend een middel om het verloren lied te vinden, maar het is ook een middel om bij het onbereikbare uit te komen en het vreemde en verre dichtbij te brengen. De radio maakt zijn ruimteperspectief open.

De droomwereld en de harde buitenwereld contrasteren sterk in de be­leving van de opgroeiende Michael. Van zijn grootmoeder verneemt hij dat de door hem geïdealiseerde grootvader “een smeerlap” was en de bij­naam “Soerabaja Johnny” (57) had, een levensgenieter en vrouwen­lo­per was die bij een vrouw in de kampong een kind had verwekt, namelijk Michaels vader die meegesmokkeld werd op de boot naar Nederland. [xv] Deze Indo-vader die alleen maar Maleis met zijn vrienden praat en naar krontjong-muziek met hen luistert in zijn “jazzhol” (42) thuis, maakt Michael meer bewust van zijn eigen Indo-schap zodat hij in de diverse kindertehuizen bij voorkeur vriendschap sluit met andere Indo’s als Jantje Simon en Alan en Philip Noland.

Toch beschouwt zijn vader het feit dat zijn zoon blank is als “een zegen in dit rot-land” (74) hetgeen verder bevestigd wordt door zijn moeder: “en je bent gelukkig geen Indo, zoals je vader, die het hier in Holland moeilijk heeft” (138). Voor zijn Nederlandse grootmoeder is Indië “een vies woord” (38) of “dat smerige tropische land” (57) dat haar man die altijd “een Indische lucht” (34) om zich heen had, van haar weggelokt heeft. Ze koestert hetzelfde anti-Indische vooroordeel als Philip Nolands Nederlandse moeder in Vogels rond een vrouw die het altijd over “daar ginder” heeft en de pakjes die uit Indonesië aankomen achterdochtig weggooit.

De vaderfiguur is minder dominant in Het verloren lied dan in de twee andere romans. Van diens paranoia heeft Birney nu ook afgezien. Zoals de grootvader is hij wel een rokkenjager die onder meer een verhouding heeft met Wanda, Michaels vioollerares, maar van een Indisch oorlogs­ver­leden dat hem onstabiel maakt is hier geen sprake. In tegenstelling met de vorige romans is de moeder nu onstabieler, steeds weg van haar gezin, in Duitsland waar ze als cabaret artieste optreedt.

Het wordt duidelijk dat Alfred Birney in zijn werk zijn eigen soort tempo doeloe schept in de vorm van een gemis, een romantisch ver­lan­gen naar het onbereikbare, naar harmonie en identiteit. Recensent Jan-Hendrik Bakker heeft het terecht over “de door-en-door ro­man­ti­sche toon” [xvi] van dit boek die ook bekend is van zijn andere romans. Hij wijst ver­der op Birney’s “verstilde kwijnen” en een “oud, haast 19de-eeuws besef” dat het leven iets is wat ons overkomt en eigenlijk voor een ander bedoeld is. Wellicht is dit de reden waarom Birney nog nooit naar het grote publiek is doorgebroken.

5. Verdwaald tussen twee werelden

Birney’s Indo-romans leveren een zeer waardevolle bijdrage tot de Indisch-Nederlandse literatuur. [xvii] Bepaalde thema’s en motieven in zijn werk treft men ook aan in de romans van de overige Indo-schrijvers, [xviii] maar die vult hij aan met andere die weer typisch zijn van hem alleen. Wat dit laatste betreft kan men vooral denken aan Birney’s neiging om een hoofdfiguur te scheppen die hij als gevolg van interne spanning en verdeeldheid in het gezin van een Indo-vader en een blanke moeder laat terugvallen op zichzelf. Er is bij hem niet alleen de spanning met de racistisch bevooroordeelde buitenwereld, maar ook binnen de familie. Die thematiek geeft ook aanleiding tot een sterk romantisch-me­lancho­li­sche drang bij zijn hoofdfiguur die tot een vlucht in de eigen ver­beel­dings­wereld leidt, vooral dan in Het verloren lied.

Deze neiging laat hij ge­paard gaan met een bijna deterministisch levensgevoel dat de mens zijn eigen gevangene of slachtoffer is, zich moeilijk kan losmaken uit het net­werk van het kwaad, vooral als dit net gespannen wordt door mensen van eigen bloed. Permanent afwezige of niet-optredende figuren zoals de grootmoeder Sie Swan Nio in Vogels rond een vrouw, Edu’s vader in De onschuld van een vis, grootvader Willem in Het verloren lied zijn daarom even belangrijk als de aanwezige. Zijn hoofdpersonages kunnen zich moeilijk uit de macht- of invloedsfeer van die afwezigen losmaken: ze hebben een verlammend effect op hen en verhinderen hen zichzelf te worden. In Het verloren lied doet zich echter wel een kentering voor waar de afwezige grootvader stimulerend en creatief inwerkt op Michael en hem een levensdoel geeft.

Deze spanningsverhouding is wellicht ook de reden waarom het gevoelsleven van Birney’s hoofdfiguren een grotere klemtoon krijgt dan hun dadendrang. Ze zijn eerder denkers dan doeners, mensen die veel nadenken over het leven en hun interrelatie met anderen. Het verleden speelt ook steeds een belangrijker rol dan het heden en de toekomst. Ze zijn in feite ontheemd in het heden, op hun manier “dislocated”, steeds rusteloos verlangend naar het andere en onbereikbare. “Mijn boeken zijn steeds een zoektocht naar iets dat niet meer te vinden is” zegt hij in een interview met Jan-Hendrik Bakker. [xix]

Zo laat Birney in drie van zijn romans de eigenzinnige stem weerklinken van de Indo die zich thuis en toch vreemd voelt. Verdwaald tussen heden en verleden is hij op zoek naar een ondefinieerbaar eigenzinnig paradijs. Ergens zijn alle Indo-schrijvers verdwaald tussen twee werelden: het verbeelde koloniale tropische Indië en de mythe van hun ouders die sterk contrasteert met de huidige postkoloniale realiteit van Indonesië aan de ene kant en het Neder­land waarin ze opgegroeid zijn aan de andere.

Vanwege hun culturele hybriditeit leven ze in wat Bhabha (1994: 13) in een verwijzing naar de Kaapse kleurlingen, een “in between reality” noemt. Ze voelen zich weliswaar Nederlands maar dan zonder hun Indische herkomst te verloochenen. In het geval van Birney komt daar, in zijn jongste roman althans, nog het verlangen naar een persoonlijk romantisch utopia bij, een wereld die niet mocht zijn. Op zijn manier en op de maat van het verloren lied danst hij verder op een choreografie van gisteren.

Bibliografie

Ashcroft, Bill; Griffiths G.; Tiffin, H. 1994. The empire writes back. London: Routledge.

Ashcroft, Bill; Griffiths, G.; Tiffin, H. 1998. Key concepts in post-colonial studies. London: Routledge.

Bakker, Jan-Hendrik. 1991. Haagsche Courant, 6 april.

Bakker, Jan-Hendrik. 2000. Haagsche Courant, 1 april.

Bel, Jacqueline. 1999. Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Indische Letteren 14 (2) juni: 95-101.

Bhabha, Homi K. 1994. The location of culture. London / New York: Routledge.

Birney, Alfred. (red.). 1998. Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Amsterdam/Antwerpen: Contact.

Birney, Alfred. 1987. Tamara’s lunapark. Haarlem: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 1989. Bewegingen van heimwee. Amsterdam: In de Knipscheer

Birney, Alfred. 1991. Vogels rond een vrouw. Amsterdam: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 1995. De onschuld van een vis. Amsterdam: Contact.

Birney, Alfred. 1996. Sonatine voor zes vrouwen. Amsterdam: Contact.

Birney, Alfred. 2000. Het verloren lied. Haarlem: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 2001. You werd en rnael van Cyberney. Internetinkt van Alfred Birney, aangevuld met de top-1000 uit de Indische Bellettrie. Haarlem: In de Knipscheer.

Birney, Alfred. 2001.2 Zonder gezicht. In: Tiga Puluh Tahun Studi Belanda di Indonesia/Dertig jaar Studie Nederlands in Indonesië. Depok: Fakultas Sastra Universitas Indonesia, 209-226.

Bloem, Marion. 1983. Geen gewoon Indisch meisje. Haarlem: In de Knipscheer.

Boukema, H.J. 1992. Indisch-Nederlandse letterkunde. Neerlandica extra muros. 30 (1):1-19.

Cirlot, J. E. 1962. A dictionary of symbols. New York. Philosophical Library.

D’haen, Theo. (red.). 1990. Inleiding. In: Herinnering, herkomst, herschrijving. Koloniale en postkoloniale literaturen. Semaian 4. Leiden: Rijksuniversiteit, 1-17.

Maier, H.J.M. 1996. Indische Literatuur. Bezinningen op een definitie. In: Weer-werk. Schrijven en terugschrijven in koloniale en post-koloniale literaturen. Semaian 15. Leiden: Rijksuniversiteit, 14-30.

Melker, Jessica; Van der Meij, M. (reds.). 1999. Portrettengalerij Tweede Generatie Indische auteurs. Vakgroep Historische Nederlandse Letterkunde. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam (niet gepubliceerd).

Niemöller, Joost. 1990. Ik ben met tien romans tegelijk bezig. In gesprek met Alfred Birney. Bzzletin 19 (169) oktober: 75-80.

Nieuwenhuys, Rob; Paasman, B; Van Zonneveld, P. 1990. Oost-Indisch Magazijn. De geschiedenis van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Amsterdam: Bulkboek, 2de druk.

Paasman, Bert. 1999. Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur. Indische Letteren 14 (2) juni: 66-72.

Praamstra, Olf. 1997. De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus. Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 113 (3): 257-274.

Praamstra, Olf. 1999. De ergernis van Couperus, de Nederlands-Indische letterkunde en de persoonlijke ervaring. Indische Letteren 14 (2): 59-65.

Van Dis, Adriaan. 1983. Nathan Sid. Amsterdam: Meulenhoff.

Van Dis, Adriaan. 1994. Indische duinen. Amsterdam: Meulenhoff.

Van Erkelen, Rob. 1995. De groene Amsterdammer, 28 juni.

Van Zonneveld, P. 1995. Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Vermeulen, Danielle. 1999. Alfred Birney draagt zijn vader ten grave. In: Portrettengalerij Tweede Generatie Indische auteurs. Vakgroep Historische Nederlandse letterkunde. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. 155-169 (niet gepubliceerd).

Vermeulen, Frank. 1988. De Indische mythe. Indische Letteren 3(4): 219-234.

Wils, Esther. Pasarkrant. Maart 2000.

Yati Suhardi, Yusuf, M.; Groeneboer, K. (reds.). 2001. Tiga Puluh Tahun Studi Belanda di Indonesia / Dertig jaar Studie Nederlands in Indonesië. Depok: Fakultas Sastra Universitas Indonesia.

Noten

——————————————————————————–

[i] Wie met het oog op al dat werk meer over Birney wil weten vindt niets in bekende Nederlandse literatuurgeschiedenissen of het Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur na 1945, waar­schijn­lijk omdat hij pas in 1987 op het literaire podium in Nederland is ver­schenen. De enige bronnen van informatie over Birney en zijn werk zijn op dit moment van electronische aard, namelijk zijn eigen web­site en het jongste CD-Rombestand van LiteRom, waarin een groot aantal recensies van zijn werk uit Nederlandse kranten is opgenomen. Een meer overzichtelijke studie over hem en zijn werk zal men er echter niet aantreffen. Birney was in 1991 recipiënt van de vijfjaarlijkse Paagman Literatuurprijs. De in dit artikel voor­ko­men­de biografische gegevens over Alfred Birney en zijn vader zijn hoof­dzakelijk afkomstig van A. Birney zelf via uitgebreide e-mail correspondentie. Zie ook Alfred Birney (2001), evenals Joost Niemöller (1990) en Danielle Vermeulen (1999).

[ii] [ii] Hun voorganger was Jan Boon (1911-1974) die van de schrij­vers­na­men Tjalie Robinson en Vincent Mahieu gebruik maakte. Over de Twee­de Generatie Indo-literatuur zie onder meer: Rob Nieuwen­huys; Bert Paasman; Peter van Zonneveld, Oost-Indisch Magazijn (1990); Frank Vermeulen, “De Indische mythe” (1988); Alfred Birney (red.), Oost-Indische inkt (1998) Peter van Zonneveld, Album van Insulinde (1995) Jessica Melker en Mariska van der Meij (reds.), Portrettengalerij Tweede Generatie Indische auteurs (1999).

[iii] Militaire acties gevoerd door het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en het Nederlandse leger tegen de Indonesische vrijheidsbeweging in 1947 en 1948.

[iv] Vgl. Key concepts in post-colonial studies: “The descendants of the dia­spo­ric movements generated by colonialism have developed their own distinctive cultures which both preserve and often extend and develop their original cultures” (Ashcroft e.a. 1998: 70).

[v] Zie onder meer J. Goedegebuure, HP/De Tijd, 17 mei 1991; F. de Rover, Vrij Nederland, 6 juli 1991; J. Diepstraten, De Stem, 12 juli 1991.

[vi] De Noland-figuur komt ook in andere romans van Birney voor, namelijk Tamara’s lunapark, Bewegingen van heimwee en Het verloren lied.

[vii] Nederlands-Maleise mengtaal die door Indo’s gebruikt wordt.

[viii] Zie Vermeulen 1988.

[ix] Een wayangspel is een traditioneel Indonesisch schimmenspel waar­in steeds botsingen tussen goed en kwaad voorgesteld worden.

[x] Een “kampong-Indo” was een Indo die niet door de Europese vader er­kend werd en die destijds in Nederlands-Indië en later ook in Nederland in de jaren vijftig en zestig als een schande werd ervaren.

[xi] Soortgelijke onstabiele vaderfiguren en huistirannen, meestal ge­teis­terd door een verleden in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger of Japanse gevangenschap, treft men ook aan in diverse ro­mans van Adriaan van Dis en Frans Lopulalan. Birney’s vaderfiguur in De onschuld van een vis is echter de meest onmenselijke van alle­maal.

[xii] De Groene Amsterdammer, 28 juni 1995.

[xiii] De gedachte aan een Indo-cyclus uitte Birney in een interview met Joost Niemöller (1990: 81): “Mijn levenswerk zal denk ik een romancyclus zijn over een Indische familie in Nederland. Daarbij wil ik van halverwege de vorige eeuw tot het einde van deze eeuw gaan. Ik hou geen belpaalde volgorde aan. De Indische romans zijn uiteindelijk belangrijker dan de tehuisromans”.

[xiv] Pasarkrant, maart 2000.

[xv] Edu’s vader in De onschuld van een vis is ook een “kampong-Indo”.

[xvi] Haagsche Courant, 1 april 2000.

[xvii] De draagwijdte van de term “Indisch-Nederlandse literatuur” en wat wel of niet tot het corpus behoort is omstreden. Volgens Rob Nieuwenhuys, Bert Paasman en Peter van Zonneveld (1990), H.J. Boukema (1992) en Peter van Zonneveld (1995) behoren schrijvers van de “tweede generatie” wel bij die letterkunde. Olf Praamstra (1997) aan de andere kant wil de omvang van het corpus inperken door het criterium van persoonlijke ervaring van de kolonie toe te pas­sen. Dit sluit de “tweede generatie” dus uit. Zie ook: Theo d’Haen (1990) en H.J.M. Maier (1996). De discussie werd in juni 1999 voortgezet in het tijdschrift Indische Letteren, 14(2) dat de neerslag bevat van een lezingenmiddag over het “eigen gebied” van de Indische letteren. Praamstra houdt zich bij zijn standpunt. Peter van Zonneveld, Siegfried Huigen, Bert Paasman en Jaqueline Bel pleiten daarentegen voor een meer inclusief corpus dat de postkoloniale literatuur en dus ook die van de “tweede” en zelfs “derde generatie” (?) (Van Zonneveld) insluit.

[xviii] Zie Vermeulen 1988.

[xix] Haagsche Courant, 6 april 1991.

* * *
Wilfred Jonckheere. Dans op een choreografie van gisteren. De Indo-romans van Alfred Birney. *Tydskrif vir Nederlands & Afrikaans 8ste Jaargang, nr 2, december 2001.

Dertig Jaar Studie Nederlands in Indonesië

Dertig Jaar Studie Nederlands in Indonesië /
Tiga Puluh Tahun Studi Belanda di Indonesia

Yati Suhardi, Munif Yusuf, Kees Groeneboer (redactie)
Fakultas Sastra – Universitas Indonesia
Depok, 2001
Desain kover: Mursidah
Percetakan: Desa Putera Jakarta
ISBN: 979-8184-60-2

Dit tweetalige boek (Nederlands / Indonesisch) kwam tot stand naar aanleiding van een conferentie gehouden aan de Universitas Indonesia in oktober 2000 wegens de viering van 30 jaar studie Nederlands in Indonesië. Kees Groeneboer, hoofd van de Fakultas Sastra, de Faculteit Letteren, voerde het idee uit om de bijdragen van alle deelnemers aan de conferentie in een kloeke tweetalige bundel te publiceren. Het boek valt uiteen in vier delen: 1. Taal en cultuur der Nederlanden / Bahasa dan Kebudayaan Belanda; 2. Koloniale Literatuur / Sastra Kolonial; 3. Geschiedenis / Sejarah; 4. Nederlands als Bronnentaal / Bahasa Belanda Sumber .

Onder deel 2. werd opgenomen van Alfred Birney zijn verhaal Zonder gezicht, in een vertaling van Ingrid Bernard onder de titel Sosok Tak Berwajah. Van het verhaal bestaat overigens een tweede vertaling onder de titel Tanpa Wajah van Widjajanti Dharmowijono, de vertaalster van Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis. Het origineel staat afgedrukt in de bundel Vertrouwd en vreemd.

Yournael van Cyberney live op de Pasar Malam Besar

alfred birney cover pasarkrantLezing Studiedagen Indische Nederlanders VI dd 25 & 26 juni 2001: Het Indische na Indië; de onwettige tak van de Indische letteren binnen de Nederlandstalige literatuur, en de dominantie van Indische herinneringsliteratuur ten opzichte van hedendaagse Indische literatuur.

Wanneer je als thema ‘Indisch na Indië’ kunt bedenken, dan moet dat een grond hebben. Je zegt eigenlijk dat er ooit een Indië was en dat er iets Indisch over is gebleven. De opvatting dat Indië als bestuurlijk model vanzelfsprekend dominanter was dan Indië als mengcultuur klinkt erin door. Zou je Indië als mengcultuur vanzelfsprekend laten prevaleren boven Indië als bestuurlijk model, dan kon het thema genoemd worden: ‘Indisch nu na Indisch toen’.

Maar het thema luidt thans ‘Indisch na Indië’ en ik zou dan als subthema kunnen bedenken ‘Indisch na de Indische literatuur’. Dat zou dan suggereren dat de Indische literatuur passé is, maar dat er nog wel iets ‘Indisch’ nagalmt. Indische literatuur zou onlosmakelijk verbonden zijn aan Indië als bestuurlijk model en niet aan een gemengdcultureel erfgoed. Indische literatuur zou per definitie synoniem zijn aan koloniale literatuur met als krachtigste argument het Nederlands als voertaal. Omdat het Nederlands als taal ook invloeden heeft ondergaan uit het Maleis, zou je verwachten dat de Nederlandse literatuur eveneens dergelijke invloeden heeft ondergaan. Dat is niet zo, men doet alleen alsof. Men wappert wat met de namen Multatuli, Couperus en Haasse en laat het daar dan wel ongeveer bij. De rest vindt men al gauw te exotisch, om niet te zeggen: te Indisch.

In het ideaalste geval is de Indische literatuur algemeen bekend bij iedereen van wie aangenomen mag worden dat zij verstand van Nederlandstalige literatuur hebben. De nagalm vormt geen coda op een refrein maar een brug naar een volgend couplet binnen een literatuur waarin geen sprake meer is van enige dominantie van welke cultuur dan ook. Met dit Utopia in mijn hoofd ben ik ooit aan mijn literaire loopbaan begonnen. Helaas moest ik tot het inzicht komen dat beroepslezers nog ver zijn verwijderd van zoiets als multicultureel lezen.

Schrijven vanuit verschillende culturen is bijna vanzelfsprekend voor een Indische schrijver, ook als hij of zij zich dat niet bewust is. De huidige aandacht voor schrijvers ‘tussen twee culturen’ is een trend dat het idee ondersteunt dat schrijvers met een diverse achtergrond in een literaire sandwich gevangen zitten. Het is echter niet de schrijver maar de gemiddelde beroepslezer die zijn eigen tanden stukbijt vanwege het beperkte leesvoer dat hem ooit tijdens zijn studietijd werd voorgezet.

Wie worden geacht verstand van literatuur te hebben? Dat zijn zij aan wie mensen die autoriteit toekennen dan wel zij die zich iets dergelijks aanmeten. Ik noem de dames en heren wetenschappers en critici, kortom wie met een zekere regelmaat iets op papier zet dat gaat over literaire kwesties. Voor het gemak zal ik dus maar even voorbijgaan aan het peloton ijdeltuiten dat in commissies gaat zitten om literaire prijzen te verdelen, stipendia te verstrekken en de auteur aan te wijzen voor het schrijven van zoiets als het jaarlijkse Nederlandse boekenweekgeschenk. Want die lui gedragen zich aldoor vaker als slaven van handelaren in euro’s, vis en oud papier.

Nu is het zo, dat wetenschappers soms als criticus optreden en dat critici soms een wetenschappelijke achtergrond hebben. Eén pot nat zou ik dat stel niet willen noemen, maar als u ze zo wilt zien, dan vind ik het best. Toch maar even iets verduidelijken. Want wat u als lezer van ‘Indische literatuur’ op uw bord krijgt, is namelijk eerder door de handen van deze zogenaamde ‘smaakmakers’ gegaan, suffig leunend tegen sorteermachines via welke de afgrijselijkste boeken bijkans het eeuwige leven gekregen hebben en de mooiste een wiegendood gestorven zijn.

Critici zonder wetenschappelijke achtergrond heb je ook. Die zijn doorgaans naïef, om niet te zeggen onnozel. Ze steken hun natte vinger in de lucht om te zien uit welke hoek de wind waait en rammen dan hun verplicht nummertje uit de laptop aan de keukentafel, met het bordje gestolde Brinta naast zich en jengelende kinderen om zich heen. Is de trend feministisch, dan bespreken ze elke feministe positief en elke machoschrijver negatief. Is de trend multicultureel, dan krijgen elke Saïd en Rachida bij voorbaat een plus voor hun bordenwasserproza en elke Jan en Katrijn bij voorkeur een min voor hun boerenkoolpoëzie.

Ik heb het nu over de doorsnee boekbespreker. Als ik u vertel dat daar een zooi zuiplappen onder zitten wier smaakpapillen geen onderscheid kunnen maken tussen sambal trassi en tomatenketchup, dan kunt u zich misschien voorstellen dat voor hen de rames van de Indische literatuur zonder meer op de multiculturele menukaart geplempt kan worden tussen de souflaki, de couscous en de vlammetjes van Piet Patat op Mallorca. Een boekbespreker met een dergelijk referentiekader bezit een macht die te vergelijken is met de douanier die beslist wie er wel en wie er niet de grens over mag. Gezag heeft zo’n boekbespreker zelden, tenzij die voor een gezaghebbende krant schrijft en daardoor enig gezag krijgt toegeschreven. Dán wordt zo iemand een onuitstaanbaar dom boegbeeld van een schip dat uiteindelijk naar de pijpen danst van de Heeren Zeventien van de Nederlandse literatuur: zij die wel eventjes zullen uitmaken wie er wel en wie er niet op de scholen worden gelezen.

Momenteel het zo, dat in heel literair Nederland er niet één vaste boekbespreker rondloopt met werkelijke kennis van zaken waar het gaat om Indische literatuur. Wordt er een of ander boek gelanceerd dat in de ogen van de hoofdredacties van de gezaghebbende kranten waarschijnlijk wel de moeite van het bespreken waard is, dan wordt een zogeheten ‘kenner’ van het genre gevraagd een recensie te schrijven. Het gaat dan vaak om dikke boeken, want, zo denkt men in de redactielokalen: de uitgever heeft er veel poen in gestopt, dus dan zal het ook wel wat zijn. Een voorbeeld hiervan is mijn bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998. De uitgever besteedde veel aandacht aan het uiterlijk, hing er een serieus prijskaartje aan en de grote kranten hingen direct aan de telefoon van enkele gezaghebbende wetenschappers.

Geven krantenredacteuren hiermee impliciet aan de beperkingen van hun vaste boekbesprekers te kennen? Hoe dan ook: in elk geval weten ze dat er een groot publiek is voor boeken met een Indische uitstraling. Heeft een wetenschapper nou toevallig even een middagje tijd en kan hij of zij met een recensie invloed uitoefenen op de weg die zo’n boek aflegt, dan krijgt het leespubliek opeens een stuk onder ogen van een recensent die voor de rest van het jaar de mond maar weer houdt. Het gaat hier veelal om overzichtswerken met betrekking tot de Indische literatuur. Voor contemporaine prozawerken komt deze zogenaamde autoriteit niet in actie. Hij of zij verlaagt zich niet tot zoiets ordinairs als zeg een maandelijkse boekbespreking. Men beweegt zich op een ander niveau om zo te zeggen. Dus niet tussen de koffiedames en postbodes op het redactielokaal van een krant maar tussen de koffieautomaten en kopieermachines van een of andere universiteit of instituut.

Wat spoken zij daar dan wel niet uit? Nou, ze wisselen artikelen uit, maken elkaar onsterfelijk in de voetnotengalerij en laten bijvoorbeeld elk kwartaal iets van zich horen via hun orgaan, in het onderhavige geval getiteld Indische Letteren met een grote L. De titel van dat kwartaalblad is listig gekozen, want Indische letteren met een kleine L is een onwettige, dus niet erkende literaire tak aan de boom van de Nederlandstalige letteren. De oprichters van het kwartaalblad Indische Letteren hebben als het ware beide, dus de term én de naam, geclaimd. En dat is nogal arrogant voor een stel discipelen dat na het verstrijken van de dertiende jaargang in 1998 het eerste nummer van de véértiende jaargang wederom liet verschijnen in 1998. Deze omissie vond plaats in maart 1999. Met de millenniumwisseling in zicht zullen de schatbewaarders van de Indische letteren ongetwijfeld hebben gezien dat de houdbaarheidsdatum van hun tijdschrift eigenlijk al was verstreken. Ze zijn dan ook niet zelden laat als er werk aan de winkel is. Zo bestaat de Tweede Generatie Indische schrijvers bijvoorbeeld al even lang als de club rond het tijdschrift Indische Letteren, maar een serieus overzicht van deze groep schrijvers zal men in geen der jaargangen aantreffen.

Het tijdschrift Indische Letteren is zich ooit gaan opwerpen als hoeder van de koloniale literatuur. Indische Letteren blikt voornamelijk terug. Dat is logisch, maar het getuigt eveneens van een verregaande kortzichtigheid. Indië bestaat dan wel niet meer, maar het Indische toch zeker wél. Een beetje meer bij de tijd blijven en vooruit kijken zou dus wel wenselijk zijn, wil je als literaire tak serieus genomen worden.

Een vraag: hoé kijken ze bij het tijdschrift Indische Letteren terug? Antwoord: voornamelijk domweg inventariserend zonder ooit maar tot een duidelijke formulering te komen van wát Indische literatuur nou eigenlijk is. Zij kunnen het hun vakgenoten die zich louter met de Nederlandse polderliteratuur bezighouden in elk geval níet uitleggen. En wie niet kan uitleggen waar-ie mee bezig is, die wordt natuurlijk niet serieus genomen. Met als ernstig bijkomend nadeel dat dientengevolge ook hedendaagse Indische schrijvers niet serieus genomen worden.

Wat behelzen de Indische letteren nou eigenlijk? Het antwoord luidt: een heleboel. Méér dan zelfs de meest verwoede lezer lief is. Zo wemelt het al van de onduidelijkheden rond de betekenissen van prekoloniale, koloniale, postkoloniale, neokoloniale, Indisch-Nederlandse of Nederlands-Indische, kortom: de Indische letteren. Wat is wat? Weet u het? Nou, zij weten het niet. Als canon zijn de Indische letteren een janboel, die enerzijds breder moet worden gedefinieerd en anderzijds door strengere specifieke literaire eisen moet worden beperkt tot een overzichtelijk geheel, opdat men ook in de Amsterdamse Grachtengordel enig idee krijgt waar we het nou eigenlijk over hebben.

Rob Nieuwenhuys als godfather van de Indische literatuur heeft ons met zijn Oost-Indische Spiegel in 1972 een overzichtswerk geboden dat handelt van de vroegste scheepsjournalen tot en met de werken van zo’n beetje de laatsten die in Indië dan wel in een kersvers Indonesië geboren zijn. Het standaardwerk lijkt compleet en solide, is bijzonder leesbaar maar rammelt aan vele kanten. Schrijvers met nauwelijks meer talent dan een redacteurtje van een buurtkrant krijgen van Pak Rob een eervolle vermelding, terwijl anderen met waardevolle boeken naar de prullenbak worden verwezen. Onze beroemde Pak Rob heeft – aantoonbaar! – lang niet alles intensief van a tot z gelezen, hij heeft het ons alleen maar op de mouw weten te spelden, wat op zich wel een aardige apenstreek genoemd kan worden.

Rob Nieuwenhuys heeft eens verklaard dat het maar eens afgelopen moest zijn met de Indische literatuur en trok op de gok een streep onder de laatste naam die aan de overkant was geboren: een zekere Kester Freriks. Deze schrijver heeft dit blijkbaar zo zeer als een compliment opgevat dat hij in zijn dorst naar literaire onsterfelijkheid Indië tenslotte maar ‘eeuwig’ is gaan noemen. Dat Rob Nieuwenhuys in een later stadium de lijn doortrok naar de Tweede Generatie in een bescheidener overzichtswerk, getiteld Oost-Indisch Magazijn, geschiedde op instigatie en met medewerking van Bert Paasman en Peter van Zonneveld, twee redacteuren van het tijdschrift Indische Letteren. Dat was in 1990. Sedertdien zijn er nieuwe Indische schrijvers opgestaan, maar de wetenschappers gaan in het algemeen toch het liefst over lijken.

De leden van de club rond het tijdschrift Indische Letteren leken zich in 1990 rekenschap te gaan geven van de taak men zichzelf had gesteld: het werk van Rob Nieuwenhuys voortzetten. Maar ze doen het niet. Veel verder dan wat herkauwen en hier en daar een gaatje stoppen komen ze niet. Een andere kijk dan hun godfather Rob Nieuwenhuys ontwikkelen ze nauwelijks, ze houden zich het liefst bezig met de ‘verbreding van het aandachtsveld’. Alles, maar dan ook álles dat gaat over Indië wordt onder de wetenschappelijke loep gelegd. Nog even en ze bombarderen de Reynaert óók tot de Indische literatuur, aangezien, zoals u weet, de vos toevallig bruin is.

Nieuwenhuys’ discipelen van Indische Letteren zijn aardige schatbewaarders, maar zijn te zeer blijven hangen in wetenschappelijk geleuter om de Indische literatuur door middel van een up-to-date overzichtswerk enig gewicht te geven en het zo een serieuze plek te bieden binnen de Nederlandstalige literatuur.

In de Indische literatuur ligt het accent op de koloniale tijd. Het perspectief daarin ligt grotendeels bij totokschrijvers, die wat ruimer in getal zijn vertegenwoordigd. Maar omdat het Indische ná Indië in de allereerste plaats bestaat bij gratie van Indo’s en Indo-kinderen zou het toch allang méér dan vanzelfsprekend moeten zijn om de boeken van vergeten Indoschrijvers te gaan herlezen, herwaarderen en bij het publiek opnieuw onder de aandacht te brengen. J.J.Th. Boon, alias Tjalie Robinson en alias Vincent Mahieu uitroepen tot de one and only Indoschrijver aller tijden is dodelijk voor de rest van de Indo-tak, die met gemak 30 goede schrijvers kan halen. Waarom niet laten zien welke Indo-schrijvers vóór en ná hem kwamen, zodat hij wellicht nog meer kan stralen in zijn uniciteit? Hoe breder de basis, hoe hoger de top van de piramide, dacht ik zo.

Overeenkomsten en verschillen in accenten en perspectief van totokschrijvers ten opzichte van Indoschrijvers in de Indische literatuur worden veel te weinig serieus onderzocht, terwijl juist zo’n studie zou kunnen leiden tot een duidelijker definiëring van wat Indische literatuur nou eigenlijk is. Indo-schrijvers kunnen niet zonder meer gelijk worden gesteld aan koloniale schrijvers, omdat Indo’s zowel tot de groep van kolonisatoren als gekoloniseerden behoorden. Mijn persoonlijke leeservaring van vergeten boeken van Indo-schrijvers heeft mij geleerd dat boeken van Indo’s meestal een genuanceerder beeld geven van de gemengde samenleving in Indië dan die van totokschrijvers. Indo-schrijvers weten net even beter het fijne te vertellen van de verhoudingen tussen laten we zeggen totoks, ‘inlanders’ en indo’s. Die nuances zitten niet zelden verstopt in terloopse detailleringen, waar de gemakzuchtige lezer snel overheen leest. Daarop moet het huiswerk van Rob Nieuwenhuys opnieuw worden gedaan en in de prullenbak geworpen boeken er weer uit worden opgevist en opnieuw op hun waarde worden getoetst.

Koloniale literatuur is dus niet synoniem aan Indische literatuur. Dát misverstand moet de wereld uit. Dan ben je meteen van het gelazer af wie er nou eigenlijk tot de postkoloniale literatuur moeten worden gerekend. Nu zijn dat onder andere nog de Indo-schrijvers. Wat mij betreft plakken ze dat etiket op totokschrijvers die koketterend met het buitengaetse zich opeens allemaal zo nodig expat moeten gaan noemen. Sommigen lopen met succes in zogenaamd ‘Indisch-literaire kringen’ te leuren met hun door het Fonds voor de Letteren gesubsidieerde verhalenbundeltjes over verlopen hippies die op Java en Bali neerstrijken om er zich dagelijks tegen een spotprijs door minderjarige jongens en meisjes te laten pidjitten, als u begrijpt wat ik bedoel. Ze doen hun best maar. Dan kan de term Indische literatuur voortaan staan voor bellettrie geschreven door Indo-schrijvers van toen, nu en morgen.

In de pers worden contemporaine totokschrijvers opvallend eerder serieus genomen dan Indoschrijvers, wanneer het over Indië dan wel het Indische ná Indië gaat. Hetzelfde geldt voor Indische schrijvers – ditmaal zowel totoks als Indo’s – uit het land van herkomst ten opzichte van schrijvers uit het land van aankomst. Een Indisch decor spreekt kennelijk meer tot de verbeelding dan een Hollands decor. Daarom blijft de Indische herinneringsliteratuur dominant ten opzichte van de hedendaagse Indische literatuur. En daardoor komt de hedendaagse Indische literatuur in een volkomen verkeerd daglicht te staan.

De discussie gaat té vaak over de rol van contemporaine Indische schrijvers die Indië wél hebben meegemaakt en zij die Indië niet hebben meegemaakt. Waarbij de winnaars áltijd diegenen zij die Indië wél hebben meegemaakt. Schrijvers van de Tweede Generatie springen veelal pas in het oog wanneer zij het Indoschap van zichzelf of van hun ouders in een problematisch perspectief zetten. Een wérkelijk probleem is echter dat familieverhalen – per slot van rekening de basis van de Indische literatuur – niet zonder meer kunnen worden verteld: de Indische mengcultuur is te complex voor de doorsnee Nederlandse recensent, binnen wiens referentiekader meestal maar een paar bekende klassiekers van totokschrijvers model staan voor het geheel.

Als ik Bert Paasman mag geloven, zal binnen niet al te lange tijd toch een nieuw overzichtswerk gaan verschijnen. Hij heeft namelijk met enkele collega’s het plan opgevat om een handboek samen te stellen over Indische, Surinaamse, Caribische en Afrikaanse literatuur. Hij vertelde me dit naar ik hoop níet in vertrouwen, want dan heb ik hem met deze slip of the tongue toch maar mooi even met een extra klusje opgezadeld.

Maar ach: plannen zat, als je zo eens om je heen kijkt. De hele wereld doet niets anders dan plannen rondbazuinen. Als het erop aankomt krijgen we toch gewoon een riolering in de vorm van een tramtunnel in de Haagse binnenstad, een Indisch Herinnerings Centrum op de Haagse Poetjak waar men zich vóór de opening al niet meer herinnert wat de plannen ook al weer waren, of een door Pelita gestichte Indische woongroep in een omgebouwde sick building met uitzicht op Medisch Centrum Haaglanden.

Zo’n nieuw handboek van Bert Paasman zal vast wel een register krijgen dat kilometers afwijkt van het voorwoord, zal ongetwijfeld ook ergens ondergronds worden gedrukt, geheel aan de aandacht van de media voorbijgaan en louter een aantrekkingskracht uitoefenen op familie, kennissen en buren van de samenstellers en in een stijl geschreven waar ik nú al hoofdpijn van krijg.

Maar toch: beter iets dan niets. Er is namelijk dringend behoefte aan een nieuw handboek, en wel hierom: op 17 januari 1997 vond er in het gebouw van de Eerste Kamer een studiedag plaats, georganiseerd door de Nederlandse Taalunie. Een groep van liefst 50 Neerlandici en literatuurwetenschappers discussieerde er over de uitgangspunten van een nieuwe geschiedenis van de ‘Nederlandstalige’ literatuur, die vanaf het jaar 2004 deelsgewijs moet verschijnen. Nou, het project was nog niet begonnen of men stuitte al op de volgende ‘problemen’: hoort de Vlaamse literatuur eigenlijk wel bij de Nederlandse? Moeten Surinaamse auteurs opgenomen worden? En: is er wel sprake van een Indische literatuur? En dat zit dan te vergaderen over de NederlandsTALIGE literatuur.

Onder de groep van 50 Neerlandici en literatuurwetenschappers die intussen al 4 jaar lang bezig is de nieuwe smaak te bepalen voor toekomstige generaties, bevindt zich een afvaardiging van 3 leden uit Indische, Surinaamse en Afrikaanse literaire hoek. Die hebben het de overige 47 Batavieren niet aan het verstand kunnen brengen wat nou precies onder Indische letteren moet worden verstaan.

Aangezien wij leven in een tijd van ideeën lanceren, vernieuwing en originaliteit verzon de voltallige club maar weer eens iets ánders om tot het schrijven van het beoogde standaardwerk te komen: uitgangspunt is een rijtje zogeheten belangwekkende historische feiten in de Nederlandse geschiedenis. Ha, mooi, dan hoeven we ze niet meer uit te leggen wat Indische literatuur nou eigenlijk is!

Nou, nee. Ik kan u nu al vertellen dat de onafhankelijkheid van Indonesië en de dekolonisatie niet bij die zogedachte ‘belangwekkende historische feiten’ zullen zitten, want wij Indische mensen schijnen hier zo geruisloos aangekomen te zijn, dat men ons tot op de dag van vandaag nog niet heeft opgemerkt, tenzij er per ongeluk 385-miljoen onze kant op wordt geschoven.

Ik verdenk onze literaire afvaardiging van een schijnvertoning. Wie met drie personen aan de onderhandelingstafel blijft hameren op het feit dat de onafhankelijkheid van Indonesië en het dumpen van Suriname geschiedkundige voorvallen zijn waar je in het licht van de huidige bevolkingssamenstelling nauwelijks omheen kunt, die moét toch een gehoor vinden. En daarmee een plaats voor althans de belangrijkste schrijvers waar het om Indië en het Indische gaat. Waren ze niet bruingebrand genoeg, die afgevaardigden van de non-polderliteratuur? Wensen ze eigenlijk niet stilletjes de marge zodat ze het debat met de opperbatavieren van de Nederlandse letteren niet hoeven aan te gaan? De patatvrije boekenplank in een verscholen toko ergens in een Zoetermeers achterafstraatje? Het lijken wel Indo’s uit de jaren vijftig, die literatuurwetenschappers van nu.

Waarom hebben Indische mensen zoiets als een herinneringscentrum nodig? Omdat er voor hen geen herkenbaarheid ligt in de Nederlandse geschiedschrijving, die we ook na een halve eeuw wachten níet zullen krijgen in het nieuwe literatuuroverzicht van de grootboekhouders der polderliteratuur. Dat nieuwe overzichtswerk zal hopelijk niet zo lang meegaan als die nieuwe spelling waarmee een zelfde club idioten ons opgezadeld heeft, geheel naar de eisen van de tijd onder druk van een poenige uitgever die al zo veel geld had gestoken in de productie van het nieuwe woordenboek dat alleen dáárom die nieuwe spelling niet kon worden afgeblazen en ons nu in rode, groene en geile boekjes door de strot wordt geduwd.

Een alternatieve literatuurgeschiedenis, waarin onder andere de werken behorende tot de zogenoemde Indische literatuur een plaats krijgen, is dus een noodzaak. Maar hoe moet die Indische literatuurgeschiedenis er nou eigenlijk uitzien? Nou, daarover wordt flink gebakkeleid onder de wetenschappers die elk kwartaal braaf hun nieuwe aflevering van Indische Letteren volschrijven.

De een wenst de literatuurgeschiedschrijving te laten beginnen met de invoering van het cultuurstelsel rond 1825 en de eindstreep te trekken rond 1942, toen de Japanners een einde kwamen maken aan de koloniale Nederlandse heerschappij. Voor zo iemand bestaan uiteraard louter de koloniale letteren en niet de Indische en al helemaal niet de Indische literatuur na Indië.

Een ander vindt dat de VOC-tijd óók bij de Indische literatuurgeschiedenis moet worden betrokken én daarbij het Indische na Indië. Kortom: zijn aandachtsveld is zo breed als maar kan zijn, maar een zwakte is weer dat hij nauwelijks literaire criteria weet aan te leggen.

A: Schijnt de zon op bladzijde 1?
B: Ja.
A: Staat er een palmboom op bladzijde 2?
B: Ja.
A: Valt er op bladzijde 3 een kokosnoot op de kop van een bestuursambtenaar?
B: Eh…ja!
Hamer: interessante Indische Literatuur!

A: Regent het op bladzijde 1?
B: Ja.
A: Staat er een bruine vader voor het raam op bladzijde 2?
B: Eh, beetje onduidelijk, niet helemaal goed te zien.
A: Geurt de trassi de lezer tegemoet op bladzijde 3?
B: Hm, nee, ik geloof dat de kinderen patat en kroketten om de hoek zijn gaan halen.
A: Patatje mayo of pinda?
B: Mayo.
Hamer: géén Indische literatuur! Met dien verstande – zegt weer een derde – dat als het patatje mayo wordt verorberd onder de luifel van een Indisch toko op de Beeklaan, dat het boek in kwestie dan misschien toch wél tot de Indische literatuur zou kunnen worden gerekend.

En zo leutert men maar aan. In elk geval zijn de wetenschappers tot de ontdekking gekomen dat Rob Nieuwenhuys’ standaardwerk Oost-Indische spiegel is verouderd. Een klassieker blijft het, dumpen moeten we het boek in géén geval. Ook is men tot het lucide, zo niet revolutionaire inzicht gekomen dat het nieuwste overzicht van de koloniale Nederlandse literatuur, geschreven door de Amerikaan E.M. Beekman, bijkans ongenietbaar is voor niet-Amerikanen, als het al genietbaar is voor Amerikanen zelf. Het boek laat het licht grotendeels op slechts 20 auteurs schijnen en houdt op bij de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Het enige positieve dat kleeft aan Paradijzen van weleer – zo heet dat boek in Nederlandse vertaling – is dat Beekman niet elk stukkie tekst uit Indië bombardeert tot iets uiterst waardevols, zoals men in Indische Letteren nogal eens pleegt te doen.

Door alsmaar terugblikken krijgt namelijk tenslotte ook het briefje in de fles van een VOC-drenkeling literaire waarde toegemeten. Belachelijk, want de Indische literatuur is nog altijd springlevend. En pertinent niet alleen zoals de boekentoptien die ons laat zien. Zolang de Tweede Generatie niet behoorlijk in kaart is gebracht en gepresenteerd, kun je moeilijk spreken van zoiets als ‘Indisch na Indië’. En zonder een Tweede Generatie is er geen Derde Generatie die zich aangemoedigd voelt een bijdrage te leveren aan de interessantste geschiedenis van de Lage Landen, die Nederland zelf tot op heden met grandioos succes uit de boeken weet te houden.

Nog maar even een nieuwtje: het laatst geworven redactielid binnen de club rond Indische Letteren houdt zich intensief bezig met de VOC-tijd. Leuke hobby, lekker ver van huis. Maar dames en heren, iemand met de blik op het hier en nu en de dag van morgen gericht… die zal je onder die lui niet aantreffen. ‘Indisch na Indië’ heeft eenvoudig hun belangstelling niet. Ze zullen het niet toegeven en allerlei uitvluchten verzinnen, hoe dan ook: progressiviteit kennen ze niet. Dus wie interesse heeft in het Indische na Indië, die zal zijn of haar heil bij een ander tijdschrift moeten zoeken.

Nou, tijdschriften zat, maar er is er geen dat duidelijk gedragen wordt door leden van de Tweede Generatie zelf. Voor dát opvallende feit kun je moeilijk je beklag gaan doen bij de Leidse hoeders van de Indische letteren. Een generatie die zichzelf niet profileert via zoiets voordehandliggends als een tijdschrift, die is volkomen afhankelijk van de gunsten van anderen. Deze situatie mag niet blijven voortduren.

Alle huidige Indo-schrijvers van de Tweede Generatie zijn geboren tussen 1948 en 1953 en bevinden zich bovendien in het gezelschap van totokpublicisten van naam en faam met wie zij regelmatig een tijdschrift zouden moeten kunnen volschrijven met artikelen en verhalen die er nú toe doen. De Derde Generatie is in aantocht en ik zie niet waar die met hun stukken naartoe zou moeten. Ik heb negen maanden lang een wekelijks internetjournaal gerund en in die periode zeven medewerkers om me heen weten te verzamelen, onder wie zelfs een Nederlands sprekende en schrijvende Peranakan-Chinese uit Semarang. Personen die onbetaald hun bijdragen wilden leveren. Ik stel me voor dat als ik niet alleen was geweest wij intussen al enkele tientallen publicisten hadden gevonden. Kortom: talent en enthousiasme genoeg. Nou, waar blijft het broodnodige platform?

Bij bekende Nederlandse tijdschriften zie je dat de ene de andere generatie opvolgt. Je ziet ook dat het niet nodig is eerst de ene generatie ten grave te dragen eer je met de volgende aan kunt komen zetten. Er zijn meer totoks dan Indo’s in Nederland, dus zijn er ook meer tijdschriften bedoeld voor totoks. Indische tijdschriften kennen we natuurlijk ook – meer dan genoeg volgens sommigen – maar van een werkelijk progressief Indisch-na-Indië-tijdschrift heb ik nog nooit gehoord. De Pasarkrant komt er naar mijn smaak nog het dichtst bij in de buurt, maar is helaas gelieerd aan de Pasar Malam Besar en kan daarom niet als onafhankelijk dan wel progressief spreekorgaan dienen. Bovendien houdt deze krant op te bestaan en gaat het terug naar wat het ooit was: een programmablad voor de jaarlijkse Pasar Malam Besar. Met het verdwijnen van de extra nummers verdwijnt er dus ook een stem die dan wel niet officieel de stem van de Tweede Generatie was, maar naar mijn smaak toch wel het meest van alle Indische periodieken in die richting kwam.

Een vooraanstaand Indisch publiciste zei me eens dat voor Indische schrijvers-in-spé er geen Indische uitgeverij hoefde te bestaan, omdat het talent vanzelf de weg zou vinden in uitgeversland. Aan die uitspraak begin ik onderhand te twijfelen. Uitgeverij Vassallucci profileert zich de laatste jaren zo overduidelijk als multiculturele uitgeverij, dat ze als honing werkt op jonge schrijvers met een Marokkaanse, Turkse, Chinese en ga-zo-maar-door-achtergrond. Was deze uitgeverij niet zo opvallend in de schijnwerpers gaan staan, dan zouden de schappen in de boekhandels intussen toch echt wel wat minder gevuld zijn geweest met werken van onze multiculturele broeders en zusters.

Nu de gemiddelde leeftijd van de Tweede Generatie zo’n beetje de 50 nadert, zal de Derde Generatie intussen tenminste toch wel weten wat het is om zoiets als een schoolopstel te schrijven. De Derde Generatie is overigens niet gebonden aan Tweede Generatie-ouders. Immers: Indo’s met een of twee ouders direct afkomstig uit Indië maar een stuk later geboren – zeg in de jaren 60 – die zijn vaak geneigd zich op grond van hun leeftijd ook tot de Derde Generatie te rekenen.

Nou, wat vreet die Derde Generatie al niet uit? Waar blijven ze met hun proza, die Derde Generatie Indo’s? Hebben zij niet hun eigen Indische thema soms? Mochten er enkelen met het plan rondlopen zich aan de fictie te gaan wijden, dan kan ik hen alvast vertellen dat absolute literaire vrijheid voor de Indoschrijver een mythe is. Het zogeheten ‘kleur bekennen’ wordt je als schrijver eenvoudigweg opgedrongen. Ik heb dat geprobeerd aan te tonen in eerdere artikelen. Wie dat feit onderkenden waren Indo’s en wie dat feit glashard ontkenden waren totoks. Tja, hoe zou dát nou komen.

Kennis van de geschiedenis van de Indo en het vertellen daarover lijkt een taak die elke Indoschrijver tijdens zijn carrière zal moeten aanvaarden, al is het maar voor eens en daarna nooit weer. Dat geldt voor schrijvers van elke generatie, dus ook voor de derde. Let wel: ik heb het over het schrijven van proza, fictie. Verhalen. Novellen. Romans. Wetenschappelijke artikelen worden niet door het gewone volk, zeg maar het publiek van Vassallucci, gelezen. ‘Indisch na Indië’ veroordelen tot een permanent verblijf in de wetenschappelijke salon staat gelijk aan het geleuter van de club rond Indische Letteren. Het leespubliek heeft verhalen nodig, al is het maar omdat de kennis van de Indische geschiedenis al zo gebrekkig is. Ik ben optimistisch, want ondanks de kortzichtigheid waarmee men belangrijke stemmen buiten de officiële literatuurgeschiedenis weet te houden, heeft de schrijver nog altijd het laatste woord.

Moet de Derde Generatie worden uitgedaagd? Ik denk het niet. Maar een thuishaven in de vorm van een breed cultureel Indisch tijdschrift, gastvrij ook naar overige multiculturele groepen, zou onderhand toch echt geen overbodige luxe zijn. Wat de boekhouders van de Indische letteren verzaken, dat doen wij van de Tweede Generatie óók: initiërend werken in een regelmatig verschijnend orgaan. Een grote nadruk leggen op het ‘Indische ná Indië’. Het is alsof de Tweede Generatie tegen de Derde Generatie zegt: ‘De Eerste Generatie heeft het ons allemaal zelf laten uitzoeken, dus zoeken jullie het nu óók zelf maar uit.’

Als je een dergelijke scheiding wenst te handhaven, dan zul je voor de niet-Indische wereld nooit dat smoel krijgen waarmee je je duidelijk kunt affichiëren bij alles wat je onderneemt.

Voor de Eerste, Tweede en Derde Generatie gaat het onderhand toch steeds minder om de verschillen en meer om de overeenkomsten. Overeenkomsten vormen de basis. Met verschillen kunnen interessante nuanceringen worden aangebracht. Een Tweede Generatie in een voortrekkersrol zou een brug moeten kunnen slaan tussen de Eerste en de Derde Generatie.

Dat kan, als de wil er tenminste is. Haastige spoed is geboden. Wij hebben het eeuwige leven niet. Maar als we mooie werken achterlaten, wie weet… dan wél.

* * *
De Studiedagen Indische Nederlanders VI vonden plaats op 25 & 26 juni 2001 onder het motto Het Indische na Indië. Gastvrouw van de Studiedagen was de Pasar Malam Besar op het Malieveld te Den Haag. De studiedagen werden georganiseerd door Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (Universiteit van Amsterdam), Instituut voor Migratie- en Etnische Studies (UvA), Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (Universiteit van Utrecht) en Stichting Tong Tong. Leden van het organisatiecomité waren Esther Captain, Ellen Derksen, Esther Wils, Rick Wolff en de bedenker van de Indische Studiedagen Wim Willems. Deze tekst werd voorgedragen door de acteur Victor Löw vanwege een kortstondige ziekenhuisopname van de auteur.

De Birnies

birniesDe Birnies
Documentaire
Rotterdam 1997
Joop de Jong & Liane van der Linden
Video € 13,85 excl porto
VHS speelduur 54 minuten
Uitverkocht!
Zie YouTube-film hieronder.

De Indische Diaspora, deel I: De Birnies, een Indische familie uit Deventer toont drie generaties van een Indische familie. Elisabeth Birnie-Birnie, haar zoon Johan, jeugdvoorlichter bij de KJJB, en haar achterneef, de schrijver Alfred Birney zijn telgen uit een belangrijke en kleurrijke plantersfamilie op Oost-Java. Zij zijn de hoofdpersonen in deze documentaire, waarin wordt verhaald over de ontginning van de Oosthoek van Java, over de oorlog in Nederlands-Indië en de lange nawerking ervan. De documentaire, met muziek van Fernando Lameirinhas, is verkrijgbaar op video (VHS en NTSC).

Elisabeth Birnie-Birnie is de weduwe van Fred Birnie, de laatste directeur van het familieconcern in tabak, koffie, indigo, suiker en rubber op Oost-Java. Zij heeft 100 meter familiearchief laten onderbrengen bij het gemeentearchief van Deventer en er ruim drie jaar lang gewerkt aan een genealogie. Ze vatte de geschiedenis van honderd jaar ondernemerschap op Java samen in een familiekroniek.

Haar zoon Johan is jeugdvoorlichter bij de KJJB: de Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap 1941 – 1949 en verzorgt lezingen met een nadruk op zijn oorlogservaringen.

Alfred Birney zet met zijn verhaal een contrapunt in de familiegeschiedenis. Zijn vader is de niet-geëchte zoon van een Birnie-telg en diens Chinese vrouw, vandaar die andere schrijfwijze van de familienaam. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd vocht Alfreds vader tegen Indonesië. Nog jaren daarna zit hij ’s nachts gewapend met zijn mariniersdolk ‘peloppers’ achterna tot in de slaapkamer van de jonge Alfred. Die vader figureert in twee van Alfreds romans – Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis – reden waarom Elisabeth hem een brief schreef met de vraag of hij eigenlijk een Birnie is. Hiermee herstelt zij voor Alfred wat zijn vader altijd heeft moeten ontberen: tot de familie behoren. Al die Birnies tezamen vertellen de geschiedenis van Nederland in Indië, of beter gezegd, de Indische geschiedenis van Nederland.

De documentaire is gemaakt door Liane van der Linden en Joop de Jong, in opdracht van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 met financiële steun van het Ministerie van VWS en de medewerking van het Indisch Wetenschappelijk Instituut. De video is niet meer verkrijgbaar.

What’s in a name? Birnie / Birney
At least a history. The shields of Birney (left) / Birnie (right) appear somewhat weird to me – maybe funny to you – having these three legs underneath the bow and arrow. They look somewhat different, but in fact they are similar. What’s in a shield? At least a story.

According to family documents 1473-1733, preserved in the ‘Charterchest’ of Broomhill; disclosed by John Birnie of Broomhill (year unknown), the story goes like this:

The account of Birnie of that Ilk

There is in wrytt a tradition in the family, that in the year of God 838, or thereby, Alpin, King of Scots, with many of his prime men being taken prisoners in battle by the Picts and thereafter murdered in cold blood, and the King’s head in a base manner set on a pole in one of their chieff cities, Kenneth the Second, his son, a brave prince, soon rais’d ane armie to be revenged on the actors of so barbarons a murder. All his followers were desperate and resolute, and had many conflicts several days together, amongst whom was one Birnie, Irish, and in English Bright, then called because of his glittering armour, and his two sons, who having several tymes signalized themselves, yet one evening pressing furiously into the thickest of the Picts, were all three, with several others, surrounded and made prisoners. Night by this tyme putting ane end to the fight, they had each of them one leg putt fast in a pair of stocks to prevent their escape, till the Picts had more leisure to put them to death. The father knowing very well what would come to them, advysed the cutting off of each of their legs: which done, they made a shift to return to their own men, and, at the next battle fatal to the Picts, they were observed to behave themselves with a new cowrage, wherewith the losse of their legs had animate them. The fortune of the Scots at length prevailling, this King Kenneth, in his just revenge, laid not asyde his arms untill he had extirpated the whole nation of the Picts: their possessions he devyded amongst his men, as they most deserved, and upon Birnie he bestowed a baronie of land near Elgin in the shyre of Murray, yet bearing his name, and which his posterity enjoyed for a long tyme thereafter, and gave them for their arms Gules, in resemblance of the late bloody battle, a Feasse, the mark of honour betwixt the bow and arrow in full draught, the most ancient arms then in use, and the three legs couped at the thigh, in perpetual remembrance of their valour.

Information about The Parish of Birnie (County of Elgin, Synod of Moray, Presbytery of Elgin) show something different about the meaning of the name BIRNIE:

This parish was named Brenuth about the beginning of the 13th century: A name probably derived from Brae-nut, i.e. ‘High land abounding in nuts’; for many hazle trees once grew upon the fides of the hills and banks of the rivulets, and the general appearance of the parish is hilly. The natives pronounce it Burn-nigh, i.e. ‘A village near the burn or river’. This etymology is descriptive enough of the particular place now called Birnie.

‘The surnames of Scotland’ in The New York Public Library (year unknown) says:

BIRNIE, BIRNEY. From Birnie in Moray. James de Brennath (the early form of the place name), burgess of Elgin, was one of an inquest concerning the King’s garden there in 1261. William de Brennath, dictus Tatenel, witnessed the gift by Hugh Herock, burgess of Elgin, to the church of Elgin in 1286, and Andrew de Brenach was clerk to Sir Dovenald, earl of Mar in 1291. Walter de Branach was the king’s chaplain in Moray, 1360. William de Byrneth, canon of the church of Moray, appears as a witness in 1463, Nicholas Birne was a chaplain in 1514, and William Byrny was burgess of Edinburgh in 1558. Birny 1568, Byrnye 1568, Birney 1589, Birnye 1614.

Note from Alfred Birney:

When I visited Moray in 1998 to follow River Lossie, in search for the old place called Birnie, locals told me they had just changed the name Birnie into Thomshill. There was a bar left though, called Birnie-Inn, not to mention Birnie Church of course.