Du Perron en de Indische letterkunde

Najaarsbijeenkomst georganiseerd door het E. du Perron Genootschap.
Met medewerking van Alfred Birney en Bert Paasman.
Zaterdag 24 november 2012 in Museum Meermanno Den Haag.
Tijd: 14:00 – 17:00 uur.
Iedereen welkom!

Du Perron en de Indische letterkunde is het thema van de najaarsbijeenkomst van het E. du Perron Genootschap, die in Den Haag plaatsvindt en wel in de sfeervolle leeszaal van Museum Meermanno: het huis van het boek. Alfred Birney en Bert Paasman zijn de sprekers.

Het museum is geopend vanaf 12.00 uur. Het is de voorlaatste dag van de Internationale Papier Biënnale Rijswijk 2012, waarbij Museaum Meermanno boeken, pectaculaire installaties, films en kunstwerkenen van internationale kunstenaars toont. Op straat aan de gevel is een installatie van Alicia Martin te bewonderen: een gestolde stroom van honderden boeken. Voor wie eerder wil komen: vergeet uw Museumjaarkaart niet… Voor het literaire programma is geen toegangsbewijs nodig.

Inloop: vanaf 13.30 uur. Aanvang: 14.00 uur. Einde: 17.00 uur.

Programma:

– Bert Paasman spreekt over Du Perron als bloemlezer, toegespitst op De muze van Jan Companjie, het niet-gepubliceerde vervolg en de plannen voor het derde deel. Paasman is emeritus hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam,

– Alfred Birney belicht Du Perrons plaats in de Indische letterkunde in relatie tot andere Indische schrijvers, zoals Multatuli, Daum en Couperus. Birney is schrijver en essayist. In 2012 verscheen zijn essay De dubieuzen, als vervolg op de bloemlezing Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998) en Yournael van Cyberney (2001). Alfred Birney stelt onder meer het gebrek aan kennis van Nederland van de eigen koloniale geschiedenis aan de kaak via voorbeelden uit boeken van vergeten schrijvers uit de koloniale letteren.

– Borrel.

Adres: Prinsessegracht 30, 2514 AP Den Haag
Tel. 070-34 62 700
www.meermanno.nl

Meld u zich s.v.p. voor 15 november aan bij info@edpg.nl ivm de borrelnootjes 😉

Rubber

rubber filmNostalgieNet zond onlangs de speelfilm Rubber uit, naar de gelijknamige roman van Madelon Székely-Lulofs. De film liep van 00.10 tot 01:20 uur. Ik noem de uitzendtijd opzettelijk. De film duurde 1 uur en 10 minuten, maar was, volgens Wikipedia, in zijn oorspronkelijke vorm niet 70 maar 106 minuten lang. De film was niet bepaald slecht te noemen, maar rond de inhoudelijke kwaliteit zal altijd het voordeel van de twijfel blijven hangen. Misschien zaten in die verloren gegane 36 minuten wel interessante details, al valt daar toch wel aan te twijfelen, gezien een veel te lang uitgesponnen scène van niks in de planterssociëteit, waar wat melig jolijt plaatsvindt.

De bewaarde beelden tonen alleen de vrouw die overspel pleegt, maar niet die van haar man, die hetzelfde doet. Ook de sprekende pop, de Japanse njai Kiku San, ontbreekt. Ik zag enkel een Javaanse huishoudster, die de Hollandse vrouw, een nieuwkomer, zóveel werk uit handen neemt dat ze zich begint te vervelen en een minnaar gaat zoeken. Het stel Indo-muzikanten, waarover ik narrig schrijf in mijn essay De dubieuzen, draaft inderdaad op en wordt later vervangen door een jazzband.

Los van het liefdesmotief en de verveling op de plantage kent de film geen enkele zelfreflexie bij de Hollandse planters op Deli, waar het verhaal lokaal werd geschoten. Nou tref je dat ook niet in de roman aan, wat me nogal spijt. De enige kritiek die Madelon Székely-Lulofs spuit is de cirkel van rubber tappen, het verwerken van rubber in autobanden en de import van auto’s in Indonesië. Wat dat betreft geeft ze het verhaal een mondaine dimensie. Maar meer ook niet. De autochtone bevolking vormt niet meer dan wat stompzinnig behang. Alsof in die tijd al niet naar onafhankelijkheid werd gestreefd door de Indonesiërs…

In De dubieuzen trek ik een vergelijking met Dé-lilah’s roman Hans Tongka’s carrière. Rubber wordt ten onrechte de eerste Nederlandse plantersroman genoemd. Er gapen immers liefst ruim drie decennia tussen Madelon Székely-Lulofs’ Rubber en Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière uit 1898. Misschien was Dé-lilah wat verder gekomen als ze haar roman simpelweg Tabak had genoemd.

Heeft Madelon Székely-Lulofs Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière gekend? De kans bestaat, een foto van haar in haar kamer toont een enorme boekenkast, maar ik betwijfel het. Het boek zou haar ongetwijfeld op het idee hebben gebracht een kritischer kijkje te nemen in het leven van de planters. In Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière bestaat geen liefde, alleen seks en geldzucht. Dé-lilah toont de uitwassen van de beruchte ‘Koelie-ordonnantie’, die planters het recht gaf naar eigen goeddunken hun koelies, een soort betaalde slaven, te berechten, tot aan de galg, zoals in de dagen van Jan Pieterszoon Coen. Deze wet duurde van 1880 – 1941, dus Madelon Székely-Lulofs moet er weet van hebben gehad.

Beide boeken van beide schrijfsters spelen in Deli. Dé-lilah neemt elke maar dan ook elke bevolkingsgroep op de hak. Madelon Székely-Lulofs werd niet graag gelezen in Nederlands-Indië, laat staan Dé-lilah. Een hernieuwde uitgave van Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière, desnoods in een aangepaste spelling, zou onze koloniale letteren alsnog op zijn grondvesten kunnen doen schudden.

Alfred Birney genomineerd voor de Halewijnprijs 2012

Alfred Birney is genomineerd voor de Halewijnprijs 2012. Dit, volgens de brief van de juryvoorzitter, “mede naar aanleiding van zijn laatste werken De dubieuzen en de drie novellen uit de zogenaamde ‘Rivieren-trilogie’”. De Halewijnprijs, literatuurprijs van de stad Roermond, wordt door de stad Roermond jaarlijks uitgereikt aan auteurs die al voorbij hun debuut zijn, maar bij het grote publiek nog niet voldoende bekend.

alfred birney tong tong fair 2012Op de foto signeert de schrijver een exemplaar van De dubieuzen op de Tong Tong Fair (mei 2012).

De genomineerden (met vermelding van hun laatste werk) op een rij:

o Alfred Birney – De dubieuzen
o Anjet Daanje – Delle Weel
o Ellen Heijmerinkx – Wij dansen niet
o Stefan Hertmans – De mobilisatie van Arcadia
o Jan van der Mast – De kleine keizer
o Marita de Sterck – Niet zonder liefde
o Peter Terrin – Post Mortem
o Anton Valens – Het boek Ont

De prijs bestaat uit een geldbedrag en een kleinplastiek in brons van de kunstenaar Dick van Wijk. De Halewijnprijs wordt op 24 november uitgereikt.

CD IMC met Alfred Birney, Marion Bloem, Frans Lopulalan & Ernst Jansz

indisch muzikanten collectief Het Indisch Muzikanten Collectief presenteerde naar aanleiding van haar 25-jarig bestaan op de afgelopen Tong Tong Fair een jublileum CD, getiteld Dageraad. Het is een dubbel CD. Eén CD wordt volgespeeld met liedjes en instrumentale nummers, op de andere CD staat mooie achtergrondmuziek met uiteenlopende ingesproken bijdragen van Alfred Birney, Marion Bloem, Yvonne Groeneveld, Ernst Jansz, Frans Lopulalan, Jill Stolk en Edy Seriese. Deze auteurs brachten op de Tong Tong Fair hun ingesproken bijdragen live ten gehore. De CD (studie-versie) is te bestellen via het Indisch Muzikanten Collectief (link verlopen).

IMC met Birney, Bloem, Jansz, Lopulalan op Tong Tong Fair

Het Indisch Muzikanten Collectief presenteert op de aanstaande Tong Tong Fair een CD met muziek en ingesproken bijdragen van Alfred Birney, Marion Bloem, Yvonne Groeneveld, Ernst Jansz, Frans Lopulalan, Jill Stolk en Edy Seriese. Deze auteurs zullen op de Tong Tong Fair hun ingesproken bijdragen live ten gehore brengen. Op donderdag 24 mei 2012, van 13:30 – 14:10 uur, is er een optreden van het IMC + voordrachten van Alfred Birney, Marion Bloem, Ernst Jansz en Frans Lopulalan.

Lezing Indische Genealogische Vereniging

alfred birney lezing bronbeek Afgelopen zondagmiddag hield ik een lezing voor de Indische Genealogische Vereniging. Plaats van handeling was Bronbeek in Arnhem, een oord dat ik jarenlang angstvallig had vermeden. Ten eerste is Arnhem altijd een spookstad voor me geweest, gezien mijn jeugdervaringen daar in een afschuwelijk tehuis dat de naam Welkom droeg. Ik wijdde er een hoofdstuk aan in Het verloren lied. Verder is het zo, dat Bronbeek de herinneringen conserveert aan de oorlog in Indonesië, waar mijn vader als een idioot heeft huisgehouden. Ik schreef daar onder meer over in De onschuld van een vis.

Gelukkig bevond ik me in goed gezelschap en ook het tijdstip van de lezing – drie uur in de middag – was wel te doen. Werkgroep Indische Letteren bijvoorbeeld houdt er bijeenkomsten die ’s morgens om tien uur beginnen, zodat je om zes uur je bed uit moet. Een dergelijk tropenritme heb ik alleen in Indonesië, niet in Holland.

Ik vertoonde fragmenten uit de film De Birnies, een Indische familie uit Deventer en lichtte toe wat voor invloed die film heeft gehad op mijn rivierentrilogie. In de pauze stond ik even buiten een sigaretje te roken, toen een jongeman op me afkwam. Hij stelde zich voor als de zoon van Alfred Birnie, mijn neef en naamgenoot die quasi model heeft gestaan voor mijn dubbelganger in <em”>Rivier de IJssel. Wat bleek? In een andere zaal te Bronbeek werd de verjaardag van een ver familielid van me gevierd. Ik haastte me naar de zaal om er met een van de hoofdrolspelers uit de film kennis te maken. Ik had hem nooit eerder in levenden lijve gezien. Ik vroeg hem, en enkele anderen, of ze zin hadden het tweede deel van mijn lezing bij te wonen. Ze weifelden. En ze kwamen niet.

Jammer. Het was een goede middag, met een aandachtig publiek. Ook de rijsttafel als afsluting was niet slecht. Niet slecht betekent niet: goed. Het betekent dat het ermee doorgaat. Al die sajoers en vlees- en tempegerechten bovenop een bord rijst gekwakt, dat is toch hoogst ordinair?

Raamvertelling in de middag

weijts birney 't hartHet kleine Maliestraatje loopt van de Denneweg naar het Smidswater en is een perfecte locatie voor een moord in een ouderwetse zwart-witfilm of stripverhaal uit het genre crime noir. Voor het middagprogramma heeft de organisatie een souterrain als cachot uitgekozen voor drie schrijvers, die elkaar afwisselen: Gerbrand Bakker, Gustaaf Peek en ik. Maar eerst is er een podiumvraaggesprek in Theater Branoul. Mijn gastheren zijn Christiaan Weijts en Kees ’t Hart. Er zit een enorm verschil tussen geïnterviewd worden door een journalist, een presentator of een schrijver. Het gesprek gaat al gauw over het vak zelf. Kees ’t Hart is goed op de hoogte van mijn Rivierentrilogie en duikt met mij in de werkwijze en composities van de novellen. Ik vertel hem dat Rivier de Lossie fluistert en dat het verhaal dat dus ook doet. Rivier de IJssel zingt en daarom zingt het verhaal in contrapunt. Rivier de Brantas is een spiralerende rivier die hier en daar is verzand en zijn geschiedenis als het ware heeft verstopt. En zo is het gelijknamige boek. Christiaan Weijts en Kees ’t Hart willen weten of ik dat écht zo bewust heb gedaan. Jazeker, is het antwoord. En hun lichte verbazing verbaast en amuseert me tegelijk.

Na het vraaggesprek wandel ik wat rond in de Maliestraat. Aan het begin van de straat is een podium dwars opgesteld, waar singer songwriters elkaar afwisselen. Ik moet terugdenken aan halverwege de jaren zeventig, toen ikzelf als singer songwriter optrad maar er weinig publiek was: men wilde rock & roll… Ik breng een bezoek aan Gerbrand Bakker. Hij houdt zich in het souterrain bezig met het werken aan een tekst op zijn laptop en het roken van zware shag. Hij is een ochtendschrijver, vertelt hij me. Daar zijn er meer van, zoals Doeschka Meijsing. Dat type staat op, neemt een ontbijt en zet zich onmiddellijk aan het schrijven. Ikzelf doe dat alleen in de tropen (lees: Indonesië). In Holland duik ik de nacht in voor rust achter mijn schrijftafel.

Gustaaf Peek lost Gerbrand Bakker af. Hij heeft een mechanische schrijfmachine meegenomen en typt haiku’s. Het is jammer dat de organisatie geen poster met onze namen aan de gevel heeft gehangen, zodat het publiek kan zien wie er zit en dat er gelegenheid is voor vragen stellen. Mij is een lijk beloofd van een mooie jonge vrouw, maar als ik de kelder in moet, ligt er geen lijk. Ik verzoek dus om een lijk. De organisatie gaat naarstig op zoek naar een actrice, die even later voor lijk het trapje wordt afgedragen. De ruimte in de kelder is te klein, vanwege het bureautje en de snuisterijen, om haar neer te leggen. Dus er wordt besloten de vrouw op de trap te leggen. Ze is Sofieke de Kater en speelt haar rol goed, ze ligt volkomen ontspannen en zegt helemaal niets. Uiteraard trekt ze veel aandacht. Via de microfoon onderhoud ik het publiek en lees hardop voor wat ik inderhaast met mijn vulpen op papier zet (de tekst staat in de vorige posting). Dit optreden is een gimmick, uiteraard, want schrijven doe je zonder bespied te worden. Er komen zelfs ambulancebroeders aanlopen om vast te stellen of de dame op de trap dood is. Ze is dood. Echt. Mijn gimmick valt in het water wanneer er iets misgaat met de microfoon en het lijk wordt weggehaald.

Maar dan komen er nieuwsgierige kinderen op de trap zitten. Ze vragen me waar de vrouw is die er zonet lag. Ik zeg: “Ga haar maar zoeken.” Ze keren onverrichte zake terug en gaan nu zelf maar voor lijkje spelen. Ik neem foto’s van ze en lees de haiku’s voor van Gustaaf Peek, die de schrijver in propjes op straat heeft achtergelaten en door de kinderen gevonden zijn.

Later zie ik het lijk, gespeeld door Sofieke de Kater, na haar wederopstanding breeduit lachend een biertje staan drinken in de brede deuropening van iets dat op een hotel lijkt. Boven haar hoofd zwaait een raam open: een dichteres laat haar poëzie door het straatje schallen. Een dergelijk literair festival zou elk seizoen gehouden moeten worden.

The Ferryman’s Daughter

In mijn novelle Rivier de Lossie fungeert een nummer van Donovan als een runnin’ gag. Het nummer trof ik ooit aan op een bootleg (illegale langspeelplaat) en thans zijn er diverse versies op YouTube te vinden. Mijn favoriet is, zoals bijna altijd, de eerste versie die ik ooit hoorde, een live-opname waarschijnlijk afkomstig uit Japan. Hier is het nummer en daaronder het fingerpicking-patroon om het te spelen.

 Am     
|--------------0--------|
|-------1---------------|
|--------------------2--|
|-------2---------2-----|
|---0-------0-----------|
|-----------------------|

    |   |   |__|  |__|

    1   2   3  &  4  &

    T  T/M  T  R  T  I

Het akkoordenschema voor de coupletten: Am C G Am 2x
Het akkoordenschema voor het refrein: C F C G 2x | Am —

De onbekende moeder

Papier is het veiligst. Het enige gevaar is een flinke brand, dan ben je alles kwijt. Maar je hebt geen last van computervirussen, vergissingen met het opslaan van je gegevens en diefstal als je online werkt, zoals in the cloud. Als ik er niet meer ben, zal alles in the cloud plaatsvinden en de roman zal deels door robots vervaardigd worden.

Gisteren vond ik een klein manuscript terug van 49 bladzijden. Het is uitgetypt op een Olympia Traveller de Luxe en gedateerd 8/9 maart 1986. De tekst is dus nog van voor mijn debuut Tamara’s lunapark. Het is het verhaal van mijn moeder tijdens de oorlogsjaren in Brabant, hoe ze met mijn vader op Java is gaan corresponderen, hoe ze hem in 1950 ontmoette en wat er allemaal plaatsvond tijdens de maanden voor mijn geboorte in Den Haag.

Ik herinner me dat ik op een weekend met een cassetterecorder naar Helmond afreisde om haar een interview af te nemen. De cassettebandjes zal ik ook nog wel ergens hebben liggen. Maar het belangrijkste zal ik er toen wel al hebben uitgehaald. Bovendien wordt de boel gefictionaliseerd, want wat heeft de lezer nou aan droge feiten.

De vondst komt me goed uit. Mijn moeder speelt zelden een rol in mijn werk tot nu toe, maar als kindvrouw kan ze een aardig tegenwicht bieden tegen de vaderfiguur, aan wie ik voor het laatst aandacht zal schenken in een roman (waar ik net aan ben begonnen) en daarna nooit meer.

Ik ben begonnen met schrijven na een periode van enorme verveling. Ik ruimde mijn pc op, gooide kladjes weg, foto’s, muziekbestanden, films, overbodige programma’s – ik overwoog zelfs om weer terug te gaan naar pen en papier. Misschien dat ik dat alsnog doe.

Geen idee wanneer dit boek klaar zal zijn. Met de enorme berg aantekeningen van mijn vader en fragmenten van eigen hand zou het best een dikke pil kunnen worden. Toen ik de Rivieren-novellen schreef, dacht ik dat ik met dat genre nog wel een poosje uit de voeten kon. Alsmaar schrappen van overbodige tekst is me gaan vervelen, zoals alles gaat vervelen. Schrappen begon bijna een neurose te worden. Spreektaal begint nu mijn aandacht te krijgen. Ik gebruikte het al eens in verhalen uit de bundel Fantasia.

Een duizelingwekkend gesprek

Ik had vier dagen geleden een interviewer over de vloer die me met het stellen van enkele simpele vragen dwong af te dalen in gebieden van mijn herinnering waar ik liever niet meer kwam. De interviewer had een duik in mijn hele oeuvre genomen en er de belangrijkste persoonlijke motieven uit gehaald. Ik ben een schrijver die die motieven in dienst van zijn boeken stelt en het liefst met distantie over zijn romanhelden praat. Ditmaal had ik geen verweer en er ontspon zich een uiterst persoonlijk gesprek. Ik verbaasde me over wat er allemaal bij me naar boven kwam en op het moment van dit schrijven verbaas ik me zelfs over wat ik allemaal al geschreven heb.

Het gesprek met de interviewer, die me een “getormenteerd schrijver” noemde, duurde uren. Later bedacht ik dat het wellicht mijn leerzaamste gesprek ooit was met welke journalist dan ook. Ik moest veel aan Kafka denken, ooit een van mijn grote inspirators. Kijk eens naar zijn tekening…

Maar de volgende dag duizelde het letterlijk in mijn hoofd. Ik zeg: letterlijk. Een dag later had ik nog steeds last van duizelingen. Ik ben het internet gaan afzoeken naar oorzaken van duizelingen. Gewapend met een lijstje van aandoeningen bezocht ik mijn huisarts. Mijn bloeddruk was perfect. Met een paar simpele bewegingen probeerde ik de duizeligheid weer op te wekken, maar er gebeurde niets.

Ik vertelde mijn huisarts over het interview. Hij zei dat duizelingwekkende gesprekken bestaan. En hij feliciteerde me met deze les.

Morgen komt een volgende journalist langs, maar alleen om over rivieren te praten… Rivier de Lossie, Rivier de IJssel, Rivier de Brantas. Intussen dient zich een duizelingwekkend aantal verhalen aan die ik nog vertellen moet.